Markt dicteert komende jaren hogere lonen

Dat de vakcentrale FNV gisteren de looneis voor 2000 opschroefde naar 4 procent kwam, na hogere eisen uit de achterban, niet onverwacht. Wat meer opvalt zijn de milde reacties uit het werkgeverskamp.

Dat de vakcentrale FNV gisteren de looneis voor 2000 voor de tweede keer in een half jaar verhoogde – tot 4 procent, plus 0,5 procent aan immateriële extra's – lag sinds vorige maand voor de hand. Toen stuitte de vakcentrale op tamelijk uniek verzet van vier van de twaalf aangesloten bonden. Zij eisten meer dan het toen nog geldende maximum van 3 procent. Met de steun die de rebellen eind vorige week kregen van de grootste zusterbond, FNV Bondgenoten die 4 procent eiste, was het pleit beslecht.

Euforie over hogere groeicijfers dan verwacht en schreeuwende schaarste op de arbeidsmarkt maakte de oorspronkelijk beoogde loonmatiging onmogelijk. Daarbij kwam nog de nasmeulende ergernis in vakbondskring over de financiële `graaizucht' in kringen van het topmanagement. Het conflict tussen kabinet en sociale partners over de reorganisatie van de sociale zekerheid zal de FNV-mensen niet milder hebben gestemd. Ook al beklemtoonde voorzitter Lodewijk de Waal gisteren in het FNV-hoofdkwartier dat looneis en dispuut helemaal niets met elkaar van doen hebben.

Verder kan het de FNV niet zijn ontgaan dat ook het Centraal Planbureau (CPB) zijn prognoses over de loonstijging regelmatig omhoog bijstelde. Medio vorig jaar, tijdens de opstelling van het regeerakkoord, mikte het CPB nog op een beperkte jaarlijkse loonstijging van 1,5 procent. Daarbij werd rekening gehouden met een forse lastenverlichting van 17 miljard gulden tijdens Paars II als gevolg van de aanstaande belastingherziening. Volgens het Planbureau zou die 1,5 procent loonsverhoging dan toch nog een reële inkomensverbetering van 1,25 procent opleveren. Maar de FNV wenste bij monde van Lodewijk de Waal bij het stellen van een looneis geen rekening te houden met deze meevaller. Eerder dit jaar schoof het CPB in zijn macro-economische verkenning voor 2000 al op naar 2,75 procent loonsverhoging en vorige week bleek het 3 procent te zijn geworden. Dat is een volle procentpunt onder FNV's maximale looneis.

Is dat ernstig? Dat hoeft niet. Doorgaans wordt een `maximale' looneis door de FNV niet optimaal verzilverd. Voor dit jaar gold bijvoorbeeld een maximale eis van 3,5 procent terwijl het uiteindelijke resultaat over het afgelopen CAO-seizoen uitkwam op 2,7 procent.

De arbeidsinkomensquote (aiq), het deel van de nationale koek dat naar de factor arbeid gaat, loopt nu weer op van het door werkgevers en Sociaal-Economische Raad optimaal geachte ijkpunt van 80 procent richting 84 procent. Toen de aiq tijdens de hoogconjunctuur van 1991/1992 evenzo opveerde, was het gevolg in 1993/1994 nog net geen recessie, maar wel een stevig aanzwellende werkloosheid. Die dreiging lijkt nu wel érg ver weg. Bovendien relativeerde het ministerie van Sociale Zaken zelf vorige maand onbedoeld de waarde van het ideale aiq-ijkpunt van 80 procent door het CPB te vragen het te onderzoeken en op z'n waarde te testen.

Wat tot nu toe ook opvalt is dat er ondanks het vuurwerk aan het loonfront een betrekkelijke rust heerst in het werkgeversbolwerk VNO/NCW. Misschien heeft dat te maken met de groot genoemde diplomatieke gaven van de nieuwe voorzitter J. Schraven. Een andere factor is waarschijnlijk de extreem krappe arbeidsmarkt, die menig werkgever heimelijk zal doen hunkeren naar een wat breder arbeidsaanbod oftewel een beetje meer werkloosheid. Verder is het mogelijk dat VNO/NCW de toch al geagiteerde vakbeweging, die vechtend over straat rolt met bewindsman De Vries, nu niet verder op stang wil jagen met klaagzangen over een dreigende loongolf.

Het is evenmin uitgesloten dat die CAO-lonen de werkgevers nu gewoonweg minder interesseren. In werkelijkheid wordt onder druk van de arbeidstekorten immers toch al vaak ruim boven het CAO-loon betaald, in de metaal- en elektrotechnische industrie bijvoorbeeld gemiddeld 15 procent meer. CAO-overleg krijgt in zulke situaties al snel trekjes van een ceremoniële dans en daar ligt de doorsnee-werkgever niet van wakker.

Feit blijft, volgens hoogleraar arbeidseconomie Coen Teulings, dat ook in Nederland de markt uiteindelijk de loonontwikkeling bepaalt. En die markt geeft aan dat de komende jaren verdere loonstijgingen mogen worden verwacht. Teulings stelt dat een ingrijpende loonmatiging, zoals Nederland die in 1982 begon, niet eindeloos kan worden voortgezet. Vanaf dat rampjaar hadden we, volgens Teulings, eerst een dalende vraag door allerlei ellende uit het verleden in combinatie met een enorme toestroom van vrouwen naar de arbeidsmarkt en een verlaging van de sociale uitkeringen. Dat legde jarenlang enorme druk op de lonen die 15 à 20 procent achterbleven bij die van de Duitsers.

Teulings: ,,Maar nu ga je het lange-termijneffect van zo'n ingrijpende saneringsoperatie zien. Door het sterk verbeterde klimaat zie je veel investeringen, nieuwe bedrijven, meer vraag en opwaartse loondruk. Zo gaan we na een periode van matigen en achterblijven terug naar het Europese loongemiddelde.''

    • Ferry Versteeg