Impasse in debat sociale zekerheid

De sociale partners gaan weer praten met het kabinet over de sociale zekerheid. Waar zit nog onderhandelingsruimte?

De discussie tussen kabinet en sociale partners over de herziening van de sociale zekerheid zit nog steeds in een impasse. Werkgevers en werknemers gaan weliswaar weer met minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst (Sociale Zaken) rond de tafel zitten, maar inhoudelijk zijn partijen elkaar nog geen millimeter genaderd. De discussie zit vast op de hoofdlijnen van het plan van De Vries en Hoogervorst voor een nieuw stelsel van de sociale zekerheid. Het kabinet, zo zei premier Kok vrijdag na afloop van de ministerraad, wil met de sociale partners best praten over de uitwerking van het sociale-zekerheidsplan, maar het houdt vast aan de hoofdlijnen. ,,Die zijn een politiek gegeven'', aldus Kok.

Werkgevers en werknemers op hun beurt willen pas weer verder praten als De Vries en Hoogervorst bereid zijn de kern van hun plan – de uitvoering van de werknemersverzekeringen onderbrengen in een publiek uitkeringsbedrijf waarop sociale partners geen invloed krijgen – ter discussie te stellen. Kok was daar glashelder over: daar is geen sprake van. Voorman De Waal van de vakcentrale FNV was zo mogelijk nog duidelijker: dan is er voor werkgevers en werknemers geen reden om terug te keren aan de onderhandelingstafel.

De sociale partners gaan nu toch weer met De Vries praten, maar alleen om te kijken of er nog ruimte zit in de kabinetsplannen. ,,We gaan niet praten over de inhoud. Daar heeft de minister ons ook niet voor uitgenodigd'', aldus De Waal. Als die ruimte er niet is, ,,heeft praten geen zin meer''.

Toch bevat het plan dat nu op tafel ligt nog volop onderhandelingsruimte voor de sociale partners, zonder dat de hoofdlijnen daarbij aangetast worden. Voorzitter Buurmeijer van het LISV, nu nog beheerder van de sociale fondsen en opdrachtgever van uitkeringsinstanties als het GAK, kwam vorige week als eerste met een suggestie. Hij zag een zwaardere rol weggelegd voor de raad van advies die het kabinetsplan introduceert.

In die raad van advies zitten werkgevers, werknemers, kroonleden en vertegenwoordigers van gemeenten. De raad krijgt als taak de minister van Sociale Zaken en het nieuw op te richten LIWI (Landelijk Instituut Werk en Inkomen) te adviseren op het gebied van arbeidsmarkt- en sociale-zekerheidsbeleid. Het LIWI komt aan het hoofd te staan van de Centra voor Werk en Inkomen, `het ene loket' voor het aanvragen van een uitkering en het vinden van een baan dat elke gemeente krijgt. Het LIWI krijgt onder meer zeggenschap over middelen die bedoeld zijn om werklozen en bijstandsgerechtigden aan werk te helpen. Die middelen worden nu nog grotendeels bij de arbeidsbureaus besteed, maar in het nieuwe stelsel worden die geprivatiseerd en moeten de arbeidsbureaus concurreren met bijvoorbeeld uitzendbureaus. Sociale partners willen de zeggenschap over de middelen, die ze nu uitoefenen via het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening (de koepel van de arbeidsbureaus), behouden. Buurmeijer stelt daarom voor de raad die het LIWI adviseert over de besteding van deze gelden te laten beslissen. Die bevoegdheid zou in het verlengde kunnen liggen van de zeggenschap over de besteding van reïntegratiemiddelen voor WAO'ers. In het kabinetsplan krijgen werkgevers de verplichting hiervoor in samenspraak met werknemers een reïntegratiebedrijf in de arm te nemen.

Sociale partners kunnen hierover afspraken maken in CAO's, maar dat hoeft niet. Een individuele werkgever kan ook zelf een contract afsluiten met een reïntegratiebedrijf, als de ondernemingsraad daarmee instemt.

De vakbeweging heeft al aangegeven dat ze deze regeling te vrijblijvend vindt. Werkgevers hebben zich bereid getoond om hierover in de Stichting van de Arbeid, het overlegorgaan van de sociale partners, centrale afspraken te maken. Maar de vakcentrales zouden ook tijdens onderhandelingen met De Vries en Hoogervorst een verplicht, duaal opdrachtgeverschap kunnen bedingen.

Voorzitter Verhoeven van de vakcentrale MHP (Middelbaar en Hoger Personeel) ziet meer mogelijkheden om binnen het huidige plan bepalingen ten gunste van de sociale partners te wijzigen. Zo vindt hij een plek in een raad die het LIWI gaat adviseren, te mager. ,,Wij willen zelf in dat LIWIbestuur gaan zitten.'' In het vorige kabinetsplan kregen de sociale partners nog wel een positie in het LIWI-bestuur, nu benoemt de minister dat zelf.

Hetzelfde geldt voor het landelijk bestuur van het publieke uitkeringsbedrijf UWV (Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen). In het huidige plan benoemt de minister ook het UWV-bestuur zelf, maar de sociale partners zouden kunnen proberen voor elkaar te krijgen dat daar ook vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in komen. Het voornaamste bezwaar van de sociale partners – namelijk dat ze hun invloed verliezen – is dan verdwenen, terwijl de hoofdlijnen van het kabinetsplan overeind staan.

Het is overigens zeer de vraag of de bewindslieden op Sociale Zaken daar iets voor voelen. Zij hebben immers een plan gemaakt dat in de kern behelst dat werkgevers en werknemers hun grip op de sociale zekerheid juist verliezen, en dat hebben ze vast niet voor niets gedaan. Wat mogelijk wel bespreekbaar is, is dat de raad die het LIWI gaat adviseren, ook het UWV-bestuur van advies mag gaan dienen. In combinatie met de verzwaring van haar taak – wat minder vrijblijvend advieswerk, wat meer instemmingsrecht – kunnen werkgevers en werknemers zo toch blijven meepraten over de uitvoering van de sociale zekerheid.

    • Jochen van Barschot