Generaals deden alleen maar hun plicht in Atjeh

Indonesische militairen moesten zich gisteren in het parlement verantwoorden voor excessen in Atjeh. De vragenstellers toonden zich meer onder de indruk dan de beklaagden.

`We deden onze plicht, hielden ons aan de wet en overtredingen van de krijgstucht zijn of worden bestraft'. De zes generaals die zich gisteren in het Indonesische parlement moesten verantwoorden voor geweldsexcessen tijdens de guerrillabestrijding in de provincie Atjeh, hebben nergens spijt van. De leden van de speciale parlementscommissie voor Atjeh slaagden er niet in de merendeels oudgediende generaals berouwvol te stemmen of met een gerichte ondervraging klem te zetten. De hoorzitting van gisteravond, die het hoogtepunt had moeten worden van het parlementaire onderzoek naar tien jaar geweld in Atjeh, liep met een sisser af.

Ze waren alle zes komen opdraven. Allereerst generaal b.d. Try Sutrisno, bevelhebber van de Indonesische strijdkrachten in de jaren 1988-1993 en vervolgens vijf jaar vice-president onder sterke man Soeharto. Dan generaal b.d. Leonardus Benjamin `Benny' Moerdani, bevelhebber van 1983 tot 1988 en de daarop volgende vijf jaar minister van Defensie; generaal b.d. Feisal Tanjung, van 1993 tot 1998 's lands hoogste officier en daarna, onder ex-president Habibie, coördinerend bewindsman van Politiek en Veiligheid; luitenant-generaal b.d. Syarwan Hamid, van 1990 tot 1992 ressortcommandant in Atjeh; generaal-majoor b.d. Pramono, aan het begin van de bloedige jaren negentig districtscommandant voor noordelijk Sumatra, en – de enige nog actieve officier – generaal-majoor Zacky Anwar Makarim, gewezen hoofd van de militaire inlichtingendienst en een man met ruime `veldervaring' in Atjeh.

De speciale commissie voor Atjeh had hun drie vragen voorgelegd: waarom werd deze provincie in 1990 uitgeroepen tot militair operatieterrein, met alle verstrekkende gevolgen van dien; wie nam deze beslissing en in hoeverre was er in die jaren sprake van afwijkingen van de militaire discipline?

Try Sutrisno deed in eerste termijn het woord. Hij noemde alle (grond)wetsartikelen op die verband houden met `binnenlandse veiligheid', beriep zich op uitspraken van het Volkscongres over het belang van 's lands `territoriale integriteit' en concludeerde: de strijdkrachten van Indonesië hebben in Atjeh hun wettelijke plicht gedaan. Try legde ook uit hoe de taken waren verdeeld. De president (destijds Soeharto) hakte als opperbevelhebber in de zomer van 1990 de knoop door toen het guerrillaleger van de beweging Vrij Atjeh (GAM) in het offensief ging, de burgerbevolking terroriseerde en de – onder Nieuwe Orde van Soeharto heilige – economische ontwikkeling in Atjeh stagneerde. Try bepaalde als bevelhebber het algemene militaire beleid, de regionale commandant in Noord-Sumatra koos de operationele werkwijze en de lagere commandanten voerden die uit. Gezien ,,de moeilijke condities in het terrein'' en ,,de neiging van de GAM om zich te verschuilen achter burgers'' maakten individuele militairen zich schuldig aan ,,ongewenste handelingen''. Try: ,,Die zijn of worden nog bestraft.'' Zo'n 151 militairen zouden al voor de krijgsraad zijn gebracht.

De commissie was ,,teleurgesteld'' over dit formalistische, politieke antwoord, en trachtte de generaals spijtbetuigingen te ontlokken over de inmiddels door een reeks commissies onderzochte en aangetoonde reeks moorden, ontvoeringen en verkrachtingen door militairen in Atjeh. De vraagstellers waren geëmotioneerd, vervielen in herhalingen en hun vragen waren ongericht. Dit was de eerste keer sinds het einde van Soeharto's Nieuwe Orde dat de ooit oppermachtige generaals op het matje werden geroepen, maar het Indonesische parlement moet nog leren ondervragen. De Atjehers die tien jaar aan de willekeur van de militairen waren overgeleverd, zullen aan deze hoorzitting geen gevoel van genoegdoening hebben overgehouden.

    • Dirk Vlasblom