Een andere defensie

ZOALS HET EEN bewindsman betaamt, denkt minister De Grave (Defensie) al sinds zijn aantreden na over de toekomst. Tussen de Hoofdlijnennotitie die hij begin dit jaar produceerde en de daaruit voortvloeiende Defensienota 2000 die hij gisteren presenteerde, zat Kosovo. En dat is duidelijk te merken ook. De nota is doorspekt met verwijzingen naar het militaire optreden in de Joegoslavische provincie. Een optreden waarbij Nederland actief betrokken was toen het om de luchtaanvallen ging en betrokken is als contribuant aan de KFOR-vredesmacht.

Het is vanzelfsprekend toe te juichen dat de toekomstplannen van Defensie worden getoetst aan de realiteit. Maar een Defensienota is geen jaarverslag, doch een toekomstvisie voor de komende tien jaar. Als het optreden in Kosovo zo nadrukkelijk blijkt te dienen als referentiekader, is dat veelzeggend voor de manier waarop Defensie anno 1999 was opgewassen tegen het fenomeen crisisbeheersingsoperatie. Crisisbeheersing was immers na de val van de Muur in 1989 al de belangrijkste taak van de krijgsmacht geworden. Een doel dat zeer nauw stond omschreven in de Prioriteitennota uit 1993. Met andere woorden: als de defensieorganisatie geheel op die nieuwe taak was ingesteld, zou de meest recente operatie in Kosovo niet zo'n groot stempel op de lange termijn mogen drukken. Een langetermijnvisie die slechts houdbaar is tot het volgende militaire optreden, is gezien alle ambities op dat vlak niet erg overtuigend.

MAAR TEVENS KAN worden gezegd dat de raspoliticus De Grave het politieke klimaat goed heeft aangevoeld door in zijn Defensienota zo vaak naar de recente gebeurtenissen op de Balkan te verwijzen. Daarmee bevindt hij zich in het goede gezelschap van de meeste fracties in de Tweede Kamer. Ook daar heeft `Kosovo', voorzover het om de nationale defensiepolitiek ging, de afgelopen maanden het denken bepaald. Met als resultaat dat de regeringspartijen PvdA en D66 niet langer tamboereren op verdere bezuinigingen, de VVD met een verwijzing naar Kosovo nog zoveel mogelijk probeert af te snoepen van de in het regeerakkoord overeengekomen bezuinigingen op de Defensiebegroting en het oppositionele CDA onlangs een uitgavenverhoging heeft bepleit.

Zoals uit zijn plannen blijkt, toont De Grave zich een loyaal uitvoerder van de tijdens de kabinetsformatie afgesproken bezuinigingen van 375 miljoen gulden per jaar en de wat beperktere versoberingen die hem eerder dit jaar zijn opgelegd. Tegelijkertijd geeft hij – al dan niet tussen de regels – aan waar een optimaal functionerende organisatie behoefte aan heeft. Dat daar extra geldmiddelen mee gemoeid zijn is duidelijk. Voor het groot onderhandelingsspel met de Tweede Kamer dat hiervan het gevolg kan zijn, vormt de Defensienota een goede opmaat. Dat spel, zo blijkt uit de eerste reacties uit de Tweede Kamer, zal zich nu allereerst concentreren op het 306de squadron F16's van de vliegbasis Volkel.

DE GROOTSTE verandering ten opzichte van de eerste opzet zoals die was neergelegd in de Hoofdlijnennotitie, is de bijna verdubbeling van het aantal parate functies bij de snel inzetbare eenheden. In totaal gaat het nu om 2.100 mensen extra. Het betekent dat bij vredesoperaties – er wordt nog steeds uitgegaan van maximaal vier van dit soort activiteiten tegelijkertijd – drie vergelijkbare eenheden beschikbaar zijn. Maar dit is het dan ook. Want volgens De Grave vertegenwoordigt het beoogde potentieel aan parate strijdkrachten het maximaal haalbare binnen de grenzen van de wervingsmogelijkheden.

Niet voor niets wil De Grave zodanige verschuivingen binnen zijn begroting aanbrengen dat er aanzienlijk meer geld beschikbaar komt voor personeelsbeleid. Dat zal ook hard nodig zijn nu Defensie wil afstappen van het uitgangspunt dat militairen een baan voor het leven wordt geboden. Het personeelsbestand gaat meer mensen tellen die een contract voor bepaalde tijd hebben. Met deze filosofie toont Defensie een open oog te hebben voor ontwikkelingen op de arbeidsmarkt elders. Dat neemt niet weg dat het leger maar zeer ten dele vergelijkbaar is met het bedrijfsleven. Het marktdenken kent zodoende zijn beperkingen.

DE DEFENSIENOTA is bedoeld als leidraad voor de komende tien jaar. Hoe betrekkelijk die termijn is blijkt uit dezelfde nota waarin ten opzichte van de voornemens van nog geen jaar geleden al de nodige veranderingen zijn aangebracht. Teleurstellend open zijn de plannen voor een Europese defensie geformuleerd, wat spoort met de ambivalente houding die Nederland op dit punt nu al jaren inneemt. Toch zullen de ideeën die Frankrijk en Groot-Brittannië hierover gezamenlijk hebben en die volgende maand tijdens de Eurotop in Helsinki aan de orde komen, ook van Nederland het nodige vergen als deze werkelijkheid worden. Getuige de discussies die hierover overal in Europa gaande zijn, is wat dit betreft de Defensienota toch meer een bevestiging van de bestaande situatie dan een gedurfde blik op de toekomst.