Dit jaar geen lintjes voor de media

en gezonde democratische pers die gewend is de overheid kritisch op de huid te zitten, moet geen moord en brand schreeuwen als zij zelf op de huid wordt gezeten. De pers moet bestand zijn tegen de kritiek van lezers die zich door haar berichtgeving gegriefd voelen, maar ook tegen de kritiek van de overheid, of die nu van ministers komt of van de koningin. De pers past op dat punt geen kleinzerigheid. Wie gewoon is klappen uit te delen, moet ook klappen kunnen incasseren.

De pers moet dus geen `au' roepen nu zij door koningin Beatrix beticht is van professionele defecten. De Nederlandse journalistiek bezondigt zich volgens haar niet alleen aan `slordigheden', `spelfouten' en `onzorgvuldigheden', maar ook aan `eenzijdige' berichtgeving. Dat zijn geen gespecificeerde verwijten, maar dat betekent niet dat ze geen serieuze aandacht zouden verdienen. De kritiek van de koningin zou alleen meer doelen treffen als ze man en paard zou noemen.

Dat wil niet zeggen dat alle koninklijke verwijten evenveel hout snijden. Sommige zijn gegrond, andere in het geheel niet. Wie er gevoelig voor is, krijgt dagelijks een grotere portie ergernis over de spelling thuisbezorgd dan een intelligent mens verdragen kan. Voor slordigheden in de categorie facts and figures geldt hetzelfde. Maar dat de pers de laatste twintig jaar kwalitatief achteruit is gegaan, is een stelling die geen steun vindt in de feiten.

Integendeel, de kranten zijn over de gehele lijn beter geworden. Ze beschikken over drie tot vier keer zoveel verslaggevers als twintig jaar geleden, de verslaggeving is kwalitatief veel beter geworden en de berichtgeving veel gevarieerder. Tegelijkertijd hebben de meeste kranten ook hun internationale berichtgeving aanzienlijk uitgebreid. Sommige hebben een eigen correspondentennet dat zich kan meten met dat van de grootste buitenlandse bladen.

Dat de kranten twintig jaar geleden bij het minste koninklijke misnoegen over `verkeerde' berichten de koningin tegemoetkwamen, zoals Beatrix zaterdag tegen de winnaars van het Gouden Pennetje zei, zal incidenteel zeker zijn voorgekomen. Maar dat elke hoofdredacteur klaarstond om het koninklijk huis met een halve pagina te behagen is een fabel.

Ernstiger is de beschuldiging dat in de Nederlandse pers de `leugen regeert'. Bij nader inzien blijkt die aantijging niet op de gehele pers, zelfs niet op een groot deel van de pers, te slaan. Brengen we dit verwijt tot de kern terug, dan blijkt de koningin zich te storen aan een aantal niet correcte journalisten en steunt haar tirade verder op de ervaringen van iemand in haar kennissenkring die slechte ervaringen met zowel eenzijdige berichtgeving als met hardleerse journalisten heeft opgedaan. Dat is alles bij elkaar een nogal magere grondslag voor de aantijging dat de `leugen regeert'.

De implicatie van die beschuldiging is dat protesten tegen onjuiste berichten over de leden van het koninklijk huis niet helpen en dat journalisten die dergelijke berichten hebben gepubliceerd, niet bereid zijn tot rectificatie. Dat is een absurde voorstelling van zaken die de pers niet over haar kant kan laten gaan. Het getuigt ook niet van veel vertrouwen in haar eigen ambtelijk apparaat, met name de Rijksvoorlichtingsdienst, die zij zo te zien niet in staat acht aperte leugens te doen rectificeren.

In de afgelopen twintig jaar zijn de kranten niet alleen beter en dikker, maar ook democratischer geworden: meer ruimte voor ingezonden brieven, meer weerwoord van lezers, meer pluriformiteit van meningen, meer ombudsmanrubrieken die de invloed van de lezers op de krant hebben versterkt. Al die factoren samen hebben de openheid van de Nederlandse pers zodanig vergroot dat leugens er geen lang leven beschoren is. Intussen kan premier Kok dit alles minzaam lachend aanzien. De ontboezeming van de koningin hoeft op zichzelf niet de ministeriële verantwoordelijkheid te activeren, maar dat betekent niet dat ze geheel ongevaarlijk is. Kok hoeft de spontaniteit van de koningin niet te onderdrukken, maar haar irritaties moeten niet te veel ruimte krijgen. Als hij verschoond wil blijven van verantwoordingsdebatten in de Kamer, zal hij de koningin achter de omheining van de onschendbaarheid moeten zien te houden. De minister-president moet als eerst verantwoordelijke bewindsman de koninklijke onschendbaarheid bewaken, maar de koningin moet hem daartoe ook in staat stellen.

Aangezien Beatrix de gewoonte heeft haar gehoor, groot of klein, met sweeping statements te verrassen, moet premier Kok op zijn tellen passen. Het is in dit verband pikant dat de koningin door een van haar constitutionele adviseurs al eens tot grotere voorzichtigheid is gemaand, omdat zij de neiging heeft tijdens officiële diners nogal eens robuuste uitspraken te doen die politieke commotie zouden veroorzaken als de buitenwereld ervan zou horen.

Op de vergadering van het Genootschap van Hoofdredacteuren waagde Beatrix zich zaterdag willens en wetens buiten haar omheining. Ze sprak daar op publiek terrein, niet beschermd door het Geheim van het Noordeinde, noch door het schild van de Kroon. Het lag voor de hand dat haar opmerkingen publiek zouden worden gemaakt. Ze had zich met haar kritiek welbewust tot een groep journalisten gericht, niet tot een of ander particulier gehoor. De verslaggevers die haar kritiek op de pers uit de eerste hand noteerden, troffen het dat koningin Beatrix en premier Kok elkaar tien onbewaakte minuten lang uit het oog hadden verloren. Dat was lang genoeg om de koninklijke boodschap over de schutting te tillen.

    • Harry van Wijnen