Defensienota schept valse beloftes

In tegenstelling tot wat het kabinet heeft beoogd, wordt in de Defensienota op termijn de inzetbaarheid van parate troepen voor humanitaire interventie-operaties juist beperkt, meent Rob de Wijk.

Dit jaar werden maatschappelijke instellingen, onderzoeksinstituten en politieke partijen door minister De Grave uitgenodigd hun visie op de toekomst van Defensie te geven. De meest opmerkelijke inbreng kwam van de PvdA. De sociaal-democraten hebben altijd aangedrongen op het maken van `echte keuzes'. De onderzeedienst en de maritieme patrouillevliegtuigen zouden moeten verdwijnen en de krijgsmacht zou zich moeten `specialiseren' in een beperkt aantal taken. Behalve GroenLinks hanteren nu alle grote partijen de eens door hen verfoeide kaasschaaf. Er is zelfs sprake van een opmerkelijke consensus over de toekomst van de krijgsmacht. Deze moet expeditionair worden, dus over grote afstanden inzetbaar. Alleen GroenLinks wil een licht bewapend vredesleger; de overige partijen willen een `echte' krijgsmacht. Dat is winst voor minister De Grave die gisteren zijn Defensienota 2000 presenteerde. Toch is het de vraag of de politieke partijen nu helemaal tevreden zijn.

Een van de thema's die tijdens het Strategisch Toekomstdebat Defensie door vrijwel iedereen naar voren is gebracht, is de paraatheid van de krijgsmacht. Er komen nu 2.100 functies bij; ruim 900 meer dan was voorzien. De Koninklijke landmacht krijgt de beschikking over zes extra parate infanteriecompagnieën. Door de vergroting van de parate sterkte wordt de landmacht beter inzetbaar voor langdurige vredesoperaties. De druk op het personeel zal afnemen, omdat eenheden gemakkelijker kunnen rouleren.

De landmacht blijft echter nog steeds deels mobilisabel, ondanks dat drie mobilisabele tankbataljons – met in totaal 136 tanks – worden afgestoten. PvdA, D66, CDA en GroenLinks willen af van mobilisabele eenheden die slechts in oorlogstijd kunnen worden opgeroepen. Zij pleiten voor een geheel parate krijgsmacht of een gedeeltelijk parate krijgsmacht, aangevuld met reservisten die ook voor vredesoperaties kunnen worden ingezet. De nota komt op dit punt nog onvoldoende tegemoet aan hun wensen. In de Defensienota wordt gesteld dat de mobilisabele eenheden in de toekomst met afgezwaaid beroepspersoneel worden gevuld. Maar nergens wordt duidelijk onder welke omstandigheden dat zou kunnen gebeuren. Een grootschalige humanitaire interventie-operatie zou niet zonder een bijdrage van oproepbare reservisten kunnen. Maar uit de Defensienota blijkt niet of dit mogelijk is.

In het verlengde van deze maatregelen wordt veel aandacht geschonken aan goed personeelsbeleid. Maar tegelijkertijd wordt er ook veel onzekerheid gecreëerd voor oudere militairen. Dat komt omdat het personeelsbestand drastisch verjongd moet worden. Defensie wil de verhouding tussen militairen met een tijdelijk contract en militairen met een contract voor onbepaalde tijd omdraaien. Nu is deze verhouding 40 - 60 procent; dat moet 60 - 40 procent worden. Daardoor wordt de inzetbaarheid van de krijgsmacht verder vergroot. Maar de komende tien jaar moeten 10.000 militairen met een contract voor onbepaalde tijd worden vervangen door militairen met een kortdurend contract. Daardoor zullen veel militairen overtollig worden. Dit probleem wordt nog versterkt door het optrekken van de pensioengerechtigde leeftijd voor militairen van 55 naar 58 jaar.

De Tweede Kamer heeft van oudsher een voorkeur voor debatten over aantallen. Wat dat betreft zijn er enkele voorstellen waarop men zijn tanden kan stukbijten. Zo wordt in de nota aangekondigd dat het aantal fregatten van 16 naar 14 zakt. Dat zijn er twee meer dan de PvdA voorstelt, maar twee minder dan D66 en CDA willen. Maar het meest opmerkelijk is dat de nota zwijgt over de wens van PvdA, D66, CDA en GroenLinks om een aantal lichtere fregatten voor kustwachttaken en operaties in het Caraïbisch gebied in de vaart te nemen. Daarom ligt het voor de hand dat de Kamer de minister alsnog opdraagt nog eens naar de samenstelling van het fregattenbestand te kijken.

Datzelfde geldt voor de jachtvliegtuigen. De Kamer lijkt te kunnen leven met verdelen van de fotoverkenningscapaciteit van het 306de squadron over drie snel inzetbare squadrons, maar wil 18 jachtvliegtuigen handhaven. Deze vliegtuigen hebben immers goede diensten bewezen in Kosovo. Dit laatste is geen sterk argument, omdat slechts een klein deel van de Nederlandse jachtvliegtuigen tijdens de operatie werden ingezet. Wie jachtvliegtuigen en fregatten wil `redden', kan beter wijzen op een tegenstrijdigheid in de nota. Enerzijds wordt de parate omvang van de Koninklijke Landmacht versterkt met als argument de inzetbaarheid te vergroten en de druk op het personeel te verkleinen. Anderzijds wordt het aantal fregatten en jachtvliegtuigen verkleind, zonder dat aan de taken wordt getornd. Daarom vallen bij marine en luchtmacht op termijn dezelfde problemen te verwachten als nu bij de landmacht: door te hard te snijden wordt de inzetbaarheid verminderd.

Op een aantal wensen van politieke partijen gaat de nota in het geheel niet in. Zo wordt lippendienst bewezen aan de versterking van de Europese Defensie en Veiligheids Identiteit en het oprichten van een Europese militaire capaciteit. Het zou interessant zijn geweest als het kabinet zou hebben gemeld hoe het wilde omgaan met Britse en Franse voorstellen voor een Europees legerkorps. Welke Nederlandse bijdrage heeft men in gedachten? Welke concrete gevolgen heeft zo'n bijdrage voor het Duits-Nederlandse legerkorps, die volgens de nota een rol kan spelen in de Europese defensie-inspanningen?

De nota gaat ook niet in op de wens van PvdA, CDA en D66 om fundamenteel naar de relatie tussen het ministerie en de Haagse staven te kijken. Het ministerie kan daarbij niet ongemoeid blijven, vinden sommige partijen. De PvdA is het meest uitgesproken en pleitte reeds voor centralisering van de leiding over alle militaire operaties, planning en de beleidsvorming op het gebied van materieel, personeel en financiën. De bevelhebbers worden voor hun krijgsmachtdeel in deze visie uitvoerder van centraal bedacht beleid. De Defensienota kondigt slechts enkele procedurele maatregelen aan ter stroomlijning van de relatie tussen het ministerie en de Haagse staven. Gezien de opstelling van een aantal politieke partijen komt de minister hiermee in de Kamer waarschijnlijk niet weg.

Tot slot is er de onderbouwing van de maatregelen. Die onderbouwing was in de voorloper van deze nota, de Hoofdlijnennotitie, ronduit zwak. De Defensienota is een grote stap vooruit. Aan de aangekondigde maatregelen ligt nu enerzijds een analyse van de veiligheidssituatie ten grondslag. Er wordt definitief afgerekend met de dreiging van een massale aanval uit het Oosten. De nadruk ligt nu op de verscheidenheid en onvoorspelbaarheid van de veiligheidsrisico's. In dit verband wordt over de noodzaak van `interventiecapaciteit' gesproken. Vijf jaar geleden zou het nog ondenkbaar zijn geweest dat politici een dergelijke term hanteerden.

Anderzijds liggen aan de maatregelen politieke ambities ten grondslag. Er wordt veel nadruk gelegd op de bescherming van humanitaire waarden. Het activistische buitenlands- en defensiebeleid uit de Defensienota kan zo van GroenLinks zijn overgenomen. Als ergens sprake is van een humanitaire tragedie, is actie geboden: ,,Een dictator die zijn eigen mensen uitmoordt mag zich niet beroepen op het soevereiniteitbeginsel om een buitenlandse interventie te voorkomen.'' Wel wordt gesteld dat aan een humanitaire interventie in beginsel een VN-mandaat ten grondslag moet liggen. ,,Maar er kunnen situaties zijn waarin de rechten van de mens zo ernstig worden geschonden, dat ingrijpen op eigen gezag door een groep landen als gerechtvaardigd moet worden beschouwd'', aldus de nota.

Als klap op de vuurpijl stelt het kabinet elders in de nota ,,uiteindelijk humaniteit boven soevereiniteit''. Ik ben benieuwd hoeveel NAVO-landen deze stelling onderschrijven. Rusland en China zullen zeker niet blij zijn met deze passage en zullen dit uitleggen als het zoveelste `bewijs' dat het Westen bereid is te interveniëren in kwesties als Tsjetsjenië en Tibet. De risico's van een dergelijk activistisch beleid zijn groot. Rusland heeft in de kwesties Kosovo en Tsjetsjenië herhaaldelijk voorspeld dat dergelijke interventies kunnen leiden tot een Derde Wereldoorlog. Ongetwijfeld is dat retoriek, maar het toont wel aan dat de visie dat humaniteit boven soevereiniteit gaat zeker geen universeel uitgangspunt is en tot nieuwe fricties tussen Oost en West kan leiden.

Prof.dr. Rob de Wijk is verbonden aan het Instituut Clingendael voor Internationale Betrekkingen.