Het wak

Wies beet op haar boterbabbelaar terwijl haar trein over de Waalbrug raasde. Wies was tevreden. Suiker en vet, rond en zacht, maar als je bijt krijg je knapperige splinters. Je moet altijd boterbabbelaars bij je hebben, als troost bij onvoorziene tegenslagen.

De babbelaar in haar mond was de eerste sinds haar ontbijt in het hotel, en dat gaf de zaak heel aardig weer. Als zij verliefd was geweest, en dan de nacht zo kuis en warm had doorgebracht onder twee dekbedden en met twee kussens – waarvan een in haar armen, zij kon niet slapen zonder Dutch wife – had zij er nu wel zes op gehad. Haar ochtendhoofdpijn zou niet zo bereidwillig voor de dag zijn geweken. Nee, zij was niet verliefd, zij had vrede met die kalme nacht.

De avond had natuurlijk vrolijker kunnen zijn, en spannender, het was een rotstreek van N. om niet naar haar optreden te komen, in zijn eigen stad – maar meer dan jammer was het niet.

Haar besef van de ontbrekende verliefdheid was verwonderlijk sterk. Alsof zij het in een boek had gelezen, met zo veel distantie herinnerde zij zich het gevoel van hoe lang? Van twee jaar geleden. Haar leven ineens propvol, haar gedachten onophoudelijk in de weer, zodat zij zich afvroeg wat haar vóór die tijd toch had beziggehouden. Zij had de open plekken in haar leven nooit opgemerkt.

(Het verhaal van de geit: er kwam een man bij de rabbi, ten einde raad. Zijn woning was zo klein, hij kon zich geen grotere veroorloven, maar met het zesde kind erbij, en zijn oude moeder steeds hulpbehoevender, werd het allemaal te veel in één kamertje. De rabbi zei: je hebt toch een geit? Neem die ook in je kamer. De man liep radeloos naar huis en haalde de geit naar binnen. Na twee weken kwam hij terug, jammerend dat het met de stank en het lawaai nu helemáál niet te harden was. Goed, zei de rabbi, zet de geit dan maar weer in het schuurtje. Een week later, op straat, ontmoette de rabbi de man opnieuw. Hij was opgetogen: de familie had zich in tijden niet zo opgelucht gevoeld. Het was een weelde, te leven zonder die geit over de vloer.)

Wies vroeg zich af of niet alleen het lijf, maar ook het hart met de jaren aan rekkracht verliest. Het zou verklaren waarom zij nu het wak in haar hart zo duidelijk voelde, een plek waar passie en verlangen hadden gezeten en die nu even leeg was, totdat er morgen weer een laagje ijs overheen zou zijn gegroeid. Het was niet erg, hoogstens een beetje weemoedig. En vreemd, de afwezigheid van een gevoel zo te voelen.

De conducteur die de schuifdeur van de coupé opendeed was geen conducteur. Het was een man met pluizige haren en een jasje van ribfluweel, zonder das. Toen hij minimaal groette zag zij lichte, lieve ogen. De man koos de verst van haar verwijderde zitplaats en tilde uit het linnen koffertje dat hij naast zich had gelegd een kleine computer.

Hij zou zo in mijn wak kunnen springen, dacht Wies. Het computertje maakte geen lawaai; de man keek niet op. Toen hij eerst op de tast, daarna met meer aandacht in zijn koffertje ging zoeken naar iets dat kennelijk moeilijk te vinden was, besloot zij: als hij nu een rol boterbabbelaars tevoorschijn haalt is ons lot bezegeld.

Terwijl hun trein de Lekbrug over denderde nam de man een sigaret uit zijn pakje en vroeg of het haar zou storen als hij rookte. I don't care if you burn, dacht Wies, en schudde een vriendelijke ontkenning. (Wie was het, welke filmster die dat moest hebben gezegd?) Ze nam haar rokende reisgenoot op. Een aangename man. In Utrecht stapten zij allebei uit.

Pas in de hal merkte Wies dat zij niet had gekeken waar hij heen liep. Zij had precies de tijd om een vlaai te kopen, voordat zij de stoptrein richting Amersfoort nam.

    • Ileen Montijn