Controle ouders over school omstreden

Ouders moeten ingrijpen als een school tekortschiet, vinden de bestuurskundige Th. Toonen en F. Mertens, inspecteur-generaal. De Onderwijsraad en schoolbesturen zijn tegen.

Wie is er verantwoordelijk voor het succes en het falen van één individuele school? Het schoolbestuur en de ouders, vinden de inspecteur-generaal F. Mertens en de Leidse bestuurskundige Th. Toonen, die minister Hermans (Onderwijs) regelmatig adviseert. Welnee, zegt de voorzitter van de Onderwijsraad H. Leune, het schoolbestuur en de wetgever zijn verantwoordelijk. ,,De kwaliteit van het onderwijs is van algemeen belang. Het onderwijs heeft sociale, culturele en economische effecten. We kiezen in dit land een wetgever die het algemene belang dient. De kwaliteit van het onderwijs mag dus nooit de verantwoordelijkheid worden van de gebruiker alleen – we moeten nooit alleen de onderwijsvraag bedienen.'

Geef de ouder meer macht, zo luidt het pleidooi van Toonen en Mertens. Met een handvest dat concrete eisen bevat en door de Tweede Kamer wordt vastgesteld, moeten ouders resultaten kunnen afdwingen. Desnoods via de rechter. De Onderwijsinspectie zou namens de minister het werk van scholen moeten blijven onderzoeken en beoordelen. Als ouders passief zijn en niet ingrijpen op een school die tekortschiet, dan zou de Inspectie alsnog haar bevindingen kunnen voorleggen aan een op te richten, officiële raad. Die kan zo'n school dan straffen of juist steun toezeggen, zoals gemeenten in de artikel-12 status bijstand krijgen.

Onderwijsbestuurders en politici breken zich al een paar jaar het hoofd over de vraag hoe ze falende scholen kunnen aanpakken. Feit is, dat volgens de Inspectie te veel basisscholen en bijna 20 procent van de middelbare scholen in de brugklassen tekort schieten. Ze voldoen meestal wel aan de wet – die voor basisscholen neerkomt op enkele vage `deugdelijkheidseisen' – maar leveren te veel kinderen af met onnodige hiaten in hun kennis. Een bekend voorbeeld is de 14e Montessorischool in Amsterdam, die als eerste school door de rechter werd veroordeeld. Leerlingen verlieten de school met grote leerachterstanden, terwijl zowel het bestuur als de inspectie er al een paar jaar van op de hoogte was.

De `deugdelijkheidseisen' zijn vaag omdat de onderwijswereld het er niet over eens is wát kwaliteit is. De één vindt dat scholen hun leerlingen zo veel mogelijk kennis moeten bijbrengen, de ander hecht meer waarde aan vaardigheden. Sinds de jaren zeventig wordt ook het sociale- en pedagogische klimaat op een school belangrijk gevonden. Katholieke, christelijke en algemeen bijzondere scholen bewaken al decennia hun recht om zelf te bepalen hoe zij lesgeven.

Toch zijn concrete, inhoudelijke normen onontkoombaar geworden, is de algemene opvatting. De Onderwijsraad heeft onlangs haar normen gepresenteerd: wat kinderen op hun achtste, twaalfde en vijftiende minimaal moeten kennen en kunnen. De Tweede Kamer lijkt die te zullen overnemen.

Maar de principiële vraag is nu wíe de school moet erop aanspreken als ze die normen niet haalt. De ouders natuurlijk, zegt K. Schaapman, de moeder die de 14e Montessorischool voor de rechter daagde. ,,Ook de Inspectie moet een concreet intrument hebben, voor het geval dat ouders nalatig zijn. In het huidige stelsel wordt de school zelf nooit aangepakt. Men gaat ervan uit dat ouders hun kinderen weghalen van een slechte school. De kinderen wier ouders dat nalaten, zijn dus de dupe.'

De christelijke schoolbesturen onderschrijven echter het standpunt van Leune. ,,Ouders kunnen niet te veel macht krijgen, want ze hebben per definitie een belang op de korte termijn: dat het goed afloopt met hun kind. Het schoolbestuur moet een groter belang dienen: van álle leerlingen en leraren.'

Onderwijs

In het artikel Controle ouders over school omstreden (in de krant van maandag 29 november, pagina 7) staat: ,,Wie is er verantwoordelijk voor het succes en het falen van één individuele school? Het schoolbestuur en de ouders, vinden de inspecteur-generaal F. Mertens en de Leidse bestuurskundige Th. Toonen [...].'' Mertens had daar niet genoemd moeten worden. Hij deelt de opvatting van Toonen niet, maar hij ,,juicht wel toe'' dat er discussie over is.

    • Frederiek Weeda