Avant-garde is bijna terug bij laatromantiek

De avant-garde dreigt tandeloos te worden. Veel eigentijdse componisten keren terug naar hun vriendelijk uitgangspunt van weleer, zoals Bartók en het muzikale impressionisme. Ook Theo Verbey is de avant-garde voorbij, blijkens zijn Alliage (legering). Het stuk werd in 1997 gecomponeerd voor het 75-jarig bestaan van Koninklijke Hoogovens, dat inmiddels samen met British Steel geallieerd in het Nederland-Engelse staalconcern Corus.

Pas nu stond Alliage voor het eerst op de lessenaars van het Concertgebouworkest, om precies te zijn op die van de viervoudig bezette houtblazers, zes hoorns, vier trompetten, drie trombones, tuba, vier slagwerkers, twee harpen, piano en een Mahleriaans bezet strijkorkest: een muzikaal metaalmengsel als optelsom van opmerkelijk rijke krachtbronnen!

Hoorns en trombone bepalen de sfeer, zowel in het eerste Moderato als in het volgende Allegro. Daarna vallen intiemere klanken op zoals die van de hobo's, terwijl in het Allegro molto weer hoorns en trombones hun stempel drukken, overigens met een nieuwe blik op het signaalmotief uit het tweede deel want Verbey werkt graag met de metamorfose-idee, zoals hij ook een doorwrocht canonspel prefereert. Uiteindelijk brengt het laatste korte Adagio een soort koraal, zowel in de hobo's als daarna in de hoorns.

Dat weerbarstige slotdeel springt er uit door zijn opeens veel minder krullerig-decoratief karakter, eerder knoestig en krachtig. Het bits afsnauwen in een orkesttutti brengt spanning, die daarvóór vrijwel ontbreekt in een Frans-helder betoog van nogal voorspelbare motieven en dito amerikanismen. Misschien heeft Verbey wel te veel gevoel voor maat en proportie. De hoogtepunten zijn niet een gevolg van strijd, ze worden opgebouwd maar niet afgedwongen. Sterker vind ik een `dunne' solo voor basklarinet en slagwerk in het Allegro molto.

Ook in Peter Schats na de pauze gespeelde De Hemel, twaalf symfonische variaties opus 37 uit 1989-1990, klinkt een basklarinetsolo waarin niemand durft te kuchen of te bewegen.

Is Verbey op zijn best in een swingend-flitsende beweging, Schat excelleert in gevoelige andante-lyriek die eerder gezongen dan instrumentaal aandoet. Voeg daarbij een hang naar het majesteitelijk monumentale, en de belangrijkste ingrediënten van zijn instrumentale visioenen zijn daarmee getekend. Schat zet de tanden in die materie, Verbey maakt veeleer afstandelijk spoelende, klokkend slikkende bewegingen in zijn muziek.

Hans Vonk en het Concertgebouworkest wisten al die karakters naar waarde te schatten, De Hemel klonk als van de aarde ontheven.

Helaas pakte het concert onnodig overladen uit met nog Samuel Barbers volop in de traditie wortelend doorsnee Celloconcert uit 1945, overigens op sympathieke wijze licht en lenig voorgedragen door Gregor Horsch.

Dit programmeren was hooguit zinvol te noemen waar het kon aantonen dat de avant-garde niet zo ver meer afstaat van de laatromantiek. Een contrast met Verbey bood het Celloconcert allerminst. Wel had het gedetoneerd bij een werk van Boulez, de componist die eens model stond voor zowel Verbey als Schat.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Hans Vonk m.m.v. Gregor Horsch (cello). Programma: Theo Verbey: Alliage; S. Barber: Celloconcert; P. Schat: De Hemel. Gehoord: 25/11 Concertgebouw Amsterdam.

    • Ernst Vermeulen