Virtuele wereld

Toen in 1963 de Beatles naar Nederland kwamen, schudde menigeen het hoofd over de diepten waartoe de opschietende tienerjeugd gezonken was. Keurig opgevoede jongens en meisjes holden gillend en krijsend achter hun langharige idolen aan. Meisjes vielen bij bosjes flauw in het aangezicht van hun helden, en tijdens de rondvaart door de Amsterdamse grachten sprongen enkele verwarde geesten zelfs in het onfrisse grachtenwater om de goden der beatmuziek te kunnen bereiken! Afkeuring alom. Waar moest dat heen met Ons Vaderland, als de bloem der natie zich niet ontzag zijn voormannen letterlijk de kleren van het lijf te rukken?

Het is allemaal overgegaan. Erger geworden, zullen sommigen zeggen. Maar met uitzondering van oprispingen als ten tijde van Doe Maar wordt er zelden meer door tieners gegild of massaal flauwgevallen, en worden er geen kleren meer van de magere lijven van jeugdige muzikanten gescheurd. Wat er nu nog in aanbidding staat te gillen is gemiddeld niet ouder dan acht. Kleine jongens en meisjes die opgeschoten-jeugdje-van-dertig-jaar-geleden spelen. Wat ooit aanstootgevend, revolutionair en beschavingsonterend was, is een keurig gemanagede industrie geworden. Big business en volslagen nep.

Maar het gehijg, het gegil en het getrek aan kleren om een stukje van een prijsdier te bemachtigen is er niet minder op geworden. Integendeel, het is juist enorm toegenomen. Alleen de rolbezetting is veranderd. Het ouderwetse popidool is vervangen door de gemiddelde Nederlander, in zijn functie als klant. En het kwijlen, geilen en gillen is nu het prerogatief van marketingmanagers en hun hulptroepen. De trofeeën gaan niet meer aan de wand van een slordige tienerkamer, maar in databases van steeds gargantuaanser omvang, alles om u beter van dienst te kunnen zijn – zeggen ze.

Wie even om zich heen kijkt, staat versteld hoeveel inspanning en dure technologie in stelling gebracht wordt om onder de slip van ons hemd te kunnen kijken. Er is nu in Amerika zelfs een monsterverbond van de ergste concurrenten op het gebied van gegevensopslag en verwerking in de maak, om nog beter en efficiënter met al de langs dozijnen kanalen verzamelde persoonsgegevens te kunnen werken: CPEX, wat staat voor Customer Profile Exchange.

Toch is het succes van al die inspanningen op zijn best maar betrekkelijk. Kijk maar. Chipcard-experimenten zijn bijna altijd vooral bedoeld om gegevens te verzamelen – daarom lukt het alsmaar niet om de chipcard een succes te maken. De chipcard is bijzonder wegens zijn individuele karakter: je kunt er de hele doopceel van de eigenaar in opslaan en bijhouden. Maar als er aan het gebruik geen individueel voordeel voor de gebruiker zit, is er geen meerwaarde en hoeft niemand zo'n ding. De chipknip en de chipper zochten die meerwaarde in elektronisch kleingeld, maar mensen vinden dat blijkbaar niet interessant. Muntjes voldoen zo goed dat het gebruik van de chipper/chipknip zelfs daalt. Andere probeersels, bijvoorbeeld in het openbaar vervoer, zijn vooral van nut voor gegevensverzamelaars. De gebruiker heeft geen probleem met kaartjes, maar met te spaarzaam en te traag vervoer, dus dat wordt ook niks.

De bonuskaart van Albert Heijn – geen chipcard, maar een gewone magneetkaart – leek het even beter te doen. Leek, want uiteindelijk levert de kaart vooral boze oude vaste klanten op, die zich zonder kaart ineens als tweederangsburger behandeld voelen, en terecht. Verder is er een onhanteerbaar stuwmeer aan bonuspunten ontstaan, dat grote problemen geeft. Iedereen wil nu een kaasplankje of zo, voordat de punten worden afgeschaft, en Appie heeft ze domweg niet. Gevolg: nog meer boze klanten. Bovendien is de waarde van de verzamelde gegevens twijfelachtig, omdat er een onbekende fractie klanten is die bonuskaarten ruilt, en zo het beeld effectief verziekt.

Heel prominent zijn op dit moment de `gratis' Internet-aanbieders. De Freelers, Zonnen, Wanadoos, NokNoks of hoe ze ook heten. Neem zo'n abonnement, en je weet meteen waar dat gratis van betaald wordt. Niet alleen is slechts ongeveer een kwart van het scherm voor de klant en de rest voor reclame gereserveerd, ook vragen ze je letterlijk en dwingend het hemd van het lijf. Naam, adres, postcode, woonplaats, geboortedatum, geslacht, werkkring, interesses, zonder al die gegevens krijg je meestal niks. En er is maar één reden denkbaar waarom men die gegevens wil hebben: om ofwel zelf je met reclame te bestoken, of om die gegevens aan derden te verpatsen, die dan ook weer ongevraagd je leven met hun rommel komen verrijken.

De ooit ideële aanbieder XS4ALL, tegenwoordig eigendom van KPN, probeerde daar overigens de boter uit te braden met een reclamecampagne waarbij het bedrijf veelzeggende passages uit de algemene voorwaarden van die gratis jongens citeerde, die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. De gratis aanbieders vonden dat niet leuk en daagden XS4ALL in kort geding voor de rechter wegens misleidende reclame. Dat geding diende gisteren, dus u vindt de uitkomst vast elders in deze krant.

Wat geldt voor de bonuskaart, geldt nog meer voor al die gratis aanbieders: het is maar helemaal de vraag of je er klanten mee trekt die gezellig openstaan voor al die reclame. Dikke kans dat ze er een blinde vlek voor ontwikkelen. En het is nog veel meer de vraag in hoeverre de opgegeven privé-gegevens één cent waard zijn. Vul een willekeurig onzinadres in, met dito postcode en gefantaseerde interesses, en hup, daar is uw abonnement. Het zou dus goed kunnen dat de moderne handel in gegevensbestanden eindelijk antwoord geeft op de vraag die William Lever, oprichter van Unilever, een eeuw geleden zo dwars zat: `Ik weet dat de helft van ons advertentiebudget weggegooid geld is. Ik weet alleen niet welke helft'. Het antwoord is nu: allebei. Want juist waar men hoopt met gegevensbestanden reclame en aanbiedingen preciezer te kunnen richten, is zelfs een tamelijk kleine fractie onzingegevens dodelijk. Daar gaat je verfijning, en je geld. De handel in gegevensbestanden berust voor een flink deel op `wishful thinking'. Het is een virtuele wereld, gebouwd op drijfzand. Big business en volslagen nep.

    • Rik Smits