Simpele belastingwet is een illusie

Met engelengeduld geven Zalm en Vermeend (Financiën) in achthonderd pagina's antwoord op Kamervragen. Maar helemaal dichtgetimmerd blijkt het belastingplan toch niet te zijn.

Waarom, zo wilde GroenLinks weten, noemden minister Zalm en staatssecretaris Vermeend (Financiën) hun plan voor een nieuw belastingsysteem in 1997 nog `Belastingstelsel 21ste eeuw' en twee jaar later `Belastingherziening 2001'? Zijn de bewindslieden soms gaandeweg tot de conclusie gekomen dat het nieuwe belastingstelsel een aanzienlijk kortere levensduur zal hebben dan ze eerst dachten?

De vragen van de GroenLinks-fractie waren twee van de ruim tweeduizend vragen die door de Tweede Kamer aan de bewindslieden van Financiën zijn gesteld over hun belastingvoorstellen. Het antwoord van Zalm en Vermeend is teleurstellend: ,,Wij zijn er nooit vanuit gegaan dat wij bezig waren met een stelsel dat een volle eeuw houdbaar zou zijn.'' Het is wat de twee betreft nog maar de vraag of hun nieuwe wet inkomstenbelasting net zo lang mee zal gaan als de vorige die in 2001 37 jaar dienst zal hebben gedaan.

Met engelengeduld, zo lijkt het, leggen Zalm en Vermeend nog één keer uit aan de Kamer waarom ze hun in september gepresenteerde plan hebben vormgegeven zoals ze dit hebben gedaan. Op elke vraag, opmerking of suggestie volgen antwoorden die de vragensteller er vooral van moeten doordringen dat er bijna geen centimeter ruimte meer is voor alternatieven en dat de mannen van Financiën echt elke variant hebben doordacht.

Zelfs op de vraag of het nieuwe stelsel progressiever zal zijn dan het oude, heeft de VVD'er Zalm een antwoord: jazeker. Als alle maatregelen worden samengenomen en op gemiddelde werknemers worden geprojecteerd, gaat iemand die drie keer modaal verdient eerder meer belasting betalen dan hij nu moet doen.

Helemaal dichtgetimmerd blijkt het plan van Zalm en Vermeend toch niet te zijn. Een scherpe vraag wil de bewindslieden soms tot enig acceptatie van de wensen van de Kamer verleiden.

Zo is er de vraag van de PvdA-fractie over de huisjesmelkers. Hoe zullen hun inkomsten worden belast? Over deze speculanten, geven Zalm en Vermeend toe, staat niets in het belastingplan waarin het tweede en elk volgend huis als vermogen wordt beschouwd. Vermogen waar een bescheiden belasting over wordt geheven en dat zou, zo oppert de PvdA, wel eens erg lucratief voor een huisjesmelker of speculant kunnen blijken. Dat hangt er vanaf, reageren Vermeend en Zalm. Als de huizeneigenaar van zijn huizen leeft, vallen huur of speculatiewinst gewoon onder de inkomstenbelasting. Maar hoe bepaal je of iemand leeft van zijn bezit of er een extra zakcentje aan over houdt? Daar komen Zalm en Vermeend niet echt uit. Aan de jurisprudentie die er nu over bestaat hebben de bewindslieden niets. ,,Op dit punt zou een wijziging kunnen worden overwogen'', opperen de bewindslieden.

Zalm en Vermeend hebben met hun plan de belastingheffing eenvoudiger willen maken. ,,Maar het is een illusie dat binnen de huidige complexe (inter)nationale context nog een echt simpele belastingwet opgesteld kan worden.''

Heel complex wordt volgens veel Kamerfracties de zogenoemde oudedagsparaplu die de bewindslieden van Financiën hebben bedacht. Het idee erachter is overigens simpel: de fiscus steunt iedere werknemer die met WAO, pensioen en `eigen' regelingen een pensioen opbouwt tot zeventig procent van het laatst verdiende loon. Komt hij daar met koopsompolissen, spaarplannen of lijfrenten boven, dan worden dezen gewoon als belastbaar inkomen beschouwd.

Wat minder eenvoudig is volgens de Kamer vast te stellen hoeveel een werknemer die bijvoorbeeld nog een jaar of twintig te gaan heeft met de manier waarop hij pensioen opbouwt, tekort zal komen op de oudedagsparaplu van zeventig procent van zijn toekomstige, laatstverdiende inkomen. Is het niet veel eenvoudiger, zo adviseerde ook de Sociaal Economische Raad aan het kabinet, om een vast bedrag van zo'n 4.000 gulden voor belastingaftrek in aanmerking te laten komen.

Zalm en Vermeend erkennen dat daardoor de zaak weliswaar eenvoudiger wordt, maar dat het niet aansluit bij hun wens om maatwerk te leveren. De ene burger heeft zijn pensioen nu eenmaal beter voor elkaar dan de ander. Blijft de vraag hoe een werknemer dan weet hoe groot zijn pensioengat is. Volgens Zalm en Vermeend is het met de rekencapaciteit die de Belastingdienst heeft mogelijk uit te rekenen wat mensen tekort komen om een pensioen van 70 procent van het laatstverdiende loon te bereiken. Dat bedrag zou dan jaarlijks op het belastingformulier kunnen worden voorgedrukt.

Met de invoering van de oudedagsparaplu is de aftrekbaarheid van lijfrentepremie niet langer vanzelfsprekend. Zalm en Vermeend hebben keer op keer gezegd dat het gros van die financiële producten om andere redenen worden gebruikt dan voor het opbouwen van een pensioen. Voor vele Nederlanders is een lijfrentepremie gewoon weer een mogelijkheid om minder belasting te hoeven betalen.

In de beantwoording van de Kamervragen staven de bewindslieden hun bewering nu met cijfers. Een kleine miljoen belastingplichtigen maakt gebruik van de lijfrentepremieaftrek. Ruim de helft daarvan is oneigenlijk gebruik, zo stellen Zalm en Vermeend. Toevallig zijn van elke honderd belastingbetalers de meest verdienende tien verantwoordelijk voor bijna de helft van alle lijfrenten.

Welke vragen de Tweede Kamer ook stelt, de datum van invoering van het nieuwe belastingsysteem ligt muurvast: 1 januari 2001. Daar verandert zelfs de open brief van 11 november van de oppositie niets meer aan. Argumenten tellen volgens onder meer CDA en GroenLinks niet meer; de coalitie wil het belastingplan zo snel mogelijk door het parlement jagen. Vroeger nam de politiek tenminste nog eens de tijd voor belastingstelselwijzigingen, zo blijkt uit de antwoorden van Zalm en Vermeend. Voor de oude wet van 1964 trok de Tweede Kamer vijf jaar en zeven maanden uit.

    • Egbert Kalse
    • Robert Giebels