METHAAN UIT OCEAAN BRACHT EEN DRASTISCHE TEMPERATUURWIJZIGING

Omstreeks 55 miljoen jaar geleden veranderde de fauna plotseling zo sterk dat er een belangrijke geologische grens wordt getrokken: tussen het Paleoceen en het Eoceen. Op dat moment stierf bijvoorbeeld zo'n 70 procent uit van alle foraminiferen die op de bodem van ondiepe zeeën leefden. Binnen korte tijd werd hun plaats ingenomen door nieuwe soorten.

In de diepzee was de verandering zo mogelijk nog dramatischer: dat milieu werd voor bijna alle daar eerder levende soorten onbewoonbaar. Op de continenten deed zich ook een grote verandering voor: primaten en andere zoogdieren trokken uit de tropen en subtropen Noord-Amerika binnen, en krokodillen vestigden zich op Antarctica. Het waarom van een dergelijke grootschalige verandering van de milieu-omstandigheden – en daarmee van flora en fauna – heeft geologen altijd geïntrigeerd. Het ziet er nu naar uit dat Richard Norris,verbonden aan het Woods Hole Oceanographic Institution en Ursula Röhl, van de universiteit van Bremen, die vraag nu hebben beantwoord (Nature, 21 oktober).

De onderzoekers maken aannemelijk dat er 54,95 miljoen jaar geleden (zo nauwkeurig is hun datering) grote massa's sediment van de continentale hellingen naar beneden gleden. Als gevolg daarvan werd het evenwicht daar verstoord, wat er toe leidde dat het methaan-ijs – in de vorm van gashydraten –dat daar (net als nu) in grote hoeveelheden was opgeslagen in de bodem, plotseling `ontdooide'. Het vrijkomende methaangas kwam naar boven, waardoor de oceaan zich als het ware omkeerde: de onderste waterlagen kwamen boven. Bij dat proces moeten volgens de onderzoekers binnen enkele duizenden jaren 1.200-2.000 miljard ton methaangas zijn vrijgekomen, voor een belangrijk deel in de atmosfeer. Dit had grote consequenties voor de gemiddelde temperatuur, ook van het zeewater. Ze berekenen dat de temperatuur van het water midden in de waterkolom steeg tot zo'n 15 °C, terwijl dat nu slechts 2-4 °C bedraagt.

Mogelijk duurde het hele proces nog minder dan enkele duizenden jaren, stellen Norris en Röhl, maar het effect ervan werd na ongeveer 30.000 jaar maximaal. Pas circa 120.000 jaar later had zich een nieuw klimaatevenwicht ingesteld.

De gegevens berusten op analyse van een boorkern uit het westen van de Atlantische Oceaan en werd uitgevoerd in het kader van het grootscheepse geologisch/oceanografische (JOIDES) onderzoek dat al tientallen jaren loopt.

Ook nu bevinden zich enorme hoeveelheden gashydraten in de bovenste sedimentpakketten op de diepzee. In het kader van olieboringen is al gewaarschuwd voor verstoringen waardoor die zouden kunnen `ontdooien' en zo een soort kettingreactie op gang zouden brengen. Daarvoor hoeft geen nieuw rampenscenario te worden ontwikkeld. Wat er zou kunnen gebeuren, is uit de ontwikkeling op de grens tussen Paleoceen en Eoceen immers al duidelijk.

(A.J. van Loon)

    • A.J. van Loon