Lenen tot op het randje

De groep spaarders in Nederland slinkt. De economische situatie is gunstig en de rente laag. Steeds meer mensen nemen een krediet om te investeren in boot, huis of vakantie.

Krediet is overal. Lease de auto of de scooter, betaal bij het warenhuis met de winkelpas, de Comfort Card of de creditcard. Koop nu een wasmachine en betaal later. ,,Met lenen is niks mis'', vindt W.M. Pietersen, de kersverse voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Toch is hij bezorgd. ,,Kredieten worden steeds vaker tot op het randje afgesloten. Waarom wachten met de breedbeeldtelevisie als het nu ook kan? Dat lijkt het nieuwe motto. De calvinistische cultuur is stevig aan het afbrokkelen'', meent Pietersen.

,,Over het algemeen is heel duidelijk te zien dat er een breuk is met het verleden'', meent Pietersen. ,,Tot tien, twaalf jaar geleden was Nederland echt een spaarland. Pas nadat geld verdiend en gespaard was, kwam de tijd van investeren. Nu zie je steeds vaker dat mensen een voorschot nemen op geld dat ze waarschijnlijk gaan verdienen.'' Volgens Pietersen neemt het uitstaand consumentenkrediet een vlucht, en groeit ook het aantal kredietverstrekkers. Vorig jaar bedroeg het totaal uitstaand consumentenkrediet ruim 29 miljard gulden, het jaar daarvoor was dat nog 27,6 miljard. Vijf jaar daarvoor, in 1990, zetten particulieren voor ruim 20 miljard uit aan kredieten.

Het Bureau Kredietregistratie (BKR), waar kredietverstrekkers volgens de Wet op het Consumentkrediet (WCK) verplicht zijn kredieten aan te geven, ziet eveneens het aantal mensen met een krediet al jaren groeien. In 1994 registreerde het BKR 4,7 miljoen mensen met een krediet, dat aantal nam in vier jaar tijd toe met 3,8 procent tot 5,4 miljoen mensen. Het aantal afgesloten kredieten groeide in dezelfde periode van 8,9 miljoen in 1994 naar 10,6 miljoen kredieten in 1998.

Pietersen, zelf directeur van de Intergemeentelijke Kredietbanken in de Achterhoek, spreekt zich niet uit tegen lenen. ,,Lenen is prima. Het gaat goed met Nederland en kredieten kunnen die ontwikkeling versterken. Het betekent meer investeringen en meer bestedingen.'' Toch maakt hij zich zorgen. ,,Ik heb de indruk dat voor een groeiende groep kredietverstrekkers, en ik doel dan niet op de grote, reguliere, banken, omzet meer bepalend is dan de situatie van de kredietnemer.''

De groep die Pietersen op het oog heeft, biedt vaak kredieten aan voor bedragen hoger dan vijftigduizend gulden. En dat heeft een reden. De Wet op het Consumentenkrediet beschermt personen die bedragen lenen tot vijftigduizend gulden, hogere bedragen vallen daar dus niet onder en behoeven geen registratie bij het BKR. 'Slimme' kredietverstrekkers omzeilen de strenge eisen die voor geldgevers gelden door boven het richtbedrag te gaan zitten.

De Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland tekent al langer bezwaar aan tegen die werkwijze. ,,Wij vinden het geen nette manier van zakendoen, zegt B. Westphal van de VFN. Het gemiddelde leenbedrag ligt in Nederland rond de twintigduizend. ,,Bedragen van boven de vijftigduizend gulden zijn dus niet reël, zeker niet tegen een termijnbedrag van 48 gulden. Volgens Westphal komen de tussenpersonen met die methode weg omdat zij niet verplicht zijn tariefvoorbeelden op te nemen in hun advertenties. Dat is wel verplicht bij bedragen lager dan vijftigduizend gulden.

,,Uiteindelijk blijkt de geïntereseerde niet in aanmerking te komen voor het tarief van 48 gulden, maar wel voor een doorlopend krediet van drie- tot vierhonderd gulden per maand, legt Westphal uit. Het aanpakken van deze ,,loktarieven en lokbedragen blijkt moeilijk. Juridisch gezien is de werkwijze niet verboden. De tussenpersonen, die veel adverteren in televisiegidsen, halen volgens de VFN op deze manier toch bijna een kwart, 3 miljard gulden, van het jaarlijks verstrekte krediet binnen. Een wetswijziging, waarin ook bedragen boven de vijftigduizend gulden onder de WCK gaan vallen, moet soelaas bieden. Het BKR heeft de kredietlimiet inmiddels losgelaten.

De grootste groep leners wendt zich overigens nog steeds tot de banken. Volgens de Rabobank is het marktaandeel van banken en dochters van banken onder de kredietverschaffers 75 procent. De `overige' financieringsmaatschappijen halen nog geen tien procent. De overige 15 procent marktaandeel wordt verdeeld onder creditcardorganisaties, gemeentelijke kredietbanken, postorderbedrijven – met allemaal 3 procent – en de autodealers met 7 procent.

Het doorlopend krediet is het populairst. Maar liefst 66 procent van de kredieten bestaat uit deze flexibele leenvorm, een kredietruimte waarbinnen leenbedrag en de aflossing zelf te bepalen zijn. De vaste geldleningen staan op de tweede plaats, gevolgd door het doorlopend goederenkrediet, het kaartkrediet en het postorderkrediet. Ook in het kredietbestand van het BKR neemt het doorlopend krediet de hoogste plaats in, met bijna veertig procent van het totaal.

Pietersen benadrukt dat hij niet somber wil doen, maar dat hij de vraag naar hulp bij schulden ziet stijgen. In 1992 kregen de gemeentelijke kredietbanken twintigduizend keer een schuldhulpverzoek, vorig jaar was dat aantal verdubbeld. ,,Dat staat in principe niet in verhouding met de hoogconjunctuur. Er is dus iets aan de hand.'' De combinatie van drie punten baart hem zorgen. Ten eerste het groeiend aantal verstrekte kredieten, naar zijn mening soms hoger dan verstandig. Daarnaast de hoogconjunctuur en de overspannen huizenmarkt. ,,Het getuigt van realiteitszin om te bedenken dat de golfbeweging ook nu niet uitblijft.''

Nederland kent 500.000 huishoudens met een risico op problematische schulden, waarvan 233.000 een groot risico lopen. Dat betekent volgens het ministerie van Sociale Zaken dat zij een betalingsachterstand en/of een schuldregeling hebben. Uit het onderzoek `Zicht op het onzichtbare' dat het ministerie van SoZa begin 1999 publiceerde, blijkt dat slechts een kwart van de risicolopers zichtbaar is, omdat zij hulp hebben gehad van een officiële instantie. ,,Dit betekent dat de problematiek veel groter is dan tot nu toe bekend was'', schrijft het ministerie.

De overige 375.000 huishoudens met risico op een schuldenprobleem zoeken of krijgen geen hulp. Volgens Pietersen is dat de keerzijde van het geaccepteerde lenen. ,,Zolang het goed gaat, kan het niet op. Maar er heerst nog steeds een taboe als het gaat om financiële problemen. En een deel van de problemen is juist aan dat taboe te wijten. Want als in een eerder stadium om advies wordt gevraagd, blijkt het vaak best op te lossen''.

    • Renske Schriemer