JONGENS HOUDEN VAN GEINTJES

Docenten verwachten van meisjes dat ze hulpvaardig en netjes zijn. Jongens zijn luidruchtig en slordig. Het taalgebruik van leraren, aldus het boek Taal in de klas, bevestigt deze stereotypen.

Sevim wordt naar voren gezet. Eva en Cindy evalueren uitgebreid het weekend, doen hun haar weer in een ander model en bladeren door een werkstuk over alcoholverslaving. Dit alles tijdens de les Natuurkunde van docent Dik Jager van het Christiaan Huygenscollege in Eindhoven. De jongens uit de derde klas atheneum lijken iets meer geboeid door de geheimen van de lenzenformule en volgen met hun rekenmachine in de hand de stappen die hun docent uitlegt op het bord.

Lastige meiden en ijverige jongens, niet echt het beeld dat uit internationaal onderzoek naar voren komt, meent dr. Dora Dolle-Willemsen, als onderwijskundige werkzaam bij het Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing van de Universiteit Leiden. Van haar hand is zojuist het populair-wetenschappelijke boekje Taal in de klas verschenen, over het taalgebruik van leerkrachten en de invloed daarvan op de leerlingen. Dolle citeert Engels onderzoek van begin jaren negentig waaruit blijkt dat docenten hun leerlingen met uiteenlopende verwachtingspatronen tegemoettreden. Van meisjes wordt verwacht dat ze in de klas hulpvaardig, netjes, rustig en gehoorzaam zijn, terwijl ze bij jongens rekening houden met slordig, brutaal en luidruchtig gedrag.

``In feite'', meent Dolle, ``bevestigt de school op zóveel manieren het verschil tussen jongens en meisjes. Het begrip school moet je daarbij ruim nemen. Denk aan de organisatiestructuur van de basisschool met een man aan het hoofd en vrouwen voor de klas of de leermiddelen. Natuurlijk is daarin veel veranderd sinds de jaren tachtig, maar nog steeds sluipen er ongemerkt vooroordelen in het lesmateriaal. Neem het nieuwe vak algemene natuurwetenschappen (anw). Bij voorbeelden van schoonheid door de eeuwen heen worden alleen afbeeldingen van vrouwen gegeven.''

Zelfs de verdeling van de ruimte kan volgens de Leidse onderwijskundige een bevestiging zijn van de ongelijke machtsverhouding tussen jongens en meisjes: ``Voetballers, meestal jongens, nemen het centrale deel van het schoolplein in, terwijl meisjes aan de rand spelletjes doen die minder ruimte in beslag nemen.''

individuen

Toch menen de meeste docenten in Nederland, in tegenstelling tot hun Engelse collega, dat zij in hun lessen geen onderscheid maken tussen jongens en meisjes. Ook de meeste leerlingen zien geen verschil in behandeling. Wiskundeleraar Jan Debets (32 jaar in het onderwijs) en zijn 4 Havo-groep bevestigen dit. ``Ik zie mijn leerlingen als individuen en niet als jongens of meisjes. Wanneer het over de stof gaat, krijgen ze dezelfde vragen.''

De les van Debets over het differentiequotiënt lijkt hem in het gelijk te stellen. In zijn zoektocht naar de eigenschappen van wat Debets ``het belangrijkste onderwerp van de wiskunde'' noemt betrekt hij de hele groep. Hij spreekt ze aan en geeft beurten: jongens en meisjes evenveel. Haast onvoorstelbaar, maar een doodstille klas hangt aan zijn lippen. Debets brengt zijn onderwerp alsof het om het zoeken naar de heilige graal gaat: ``Als A en B op de grafiek hetzelfde punt zijn, hoe kunnen we dan de kromming van de lijn vinden?'' Trots zijn de leerlingen als ze de oplossing en manier van berekenen zelf hebben gevonden. Om ten slotte wat beteuterd te kijken als de docent hun meldt dat deze ingewikkelde berekening ook met één druk op de knop van hun grafische rekenmachine te krijgen is: ``Je weet toch dat ik graag moeilijk doe als het ook makkelijk kan.'' Vooral de jongens loeien van verontwaardiging. Jan Debets: ``Jongens kunnen dat beter hebben. Die houden wel van een geintje. Een ironische toon, een beetje uitdagen. Ja, in zoverre maak ik toch wel onderscheid'', stelt Debets zijn eerdere bewering bij.

De ontkenning van docenten dat zij in de klas onderscheid maken tussen jongens en meisjes, heeft volgens Dolle te maken met hun beroepsethos: ieder kind heeft immers recht op gelijke leerkansen en moet dezelfde aandacht krijgen.

Een observatiesysteem onder de naam FROG (Feedbackresearch Observation Guide) was nodig om de leerkrachten te confronteren met de werkelijkheid. De resultaten van deze studie leidden in 1997 tot een promotie.

In haar proefschrift Gezien onderscheid naar sekse in het basisonderwijs beschrijft Dora Dolle de sociale interactie tussen leerkracht en leerling. Hoe gaan die in de klas met elkaar om? De observatiestudie let bijvoorbeeld op de hoeveelheid tijd die een docent aan het woord is. Ook wordt door een computerprogramma geregistreerd hoeveel vragen de leerkracht aan jongens stelt en hoeveel vragen aan meisjes. Wat voor soort vragen zijn het: inzichtvragen of kennisvragen? En hoelang wordt een leerling de tijd gegund om na te denken over een antwoord? De uitkomsten blijken onthutsend, vooral voor de geobserveerde leraren zelf. Jongens krijgen veel meer aandacht in de klas. Ze krijgen vaker de beurt. Ook de vragen die aan hen gesteld worden, zijn anders: als het om inzicht gaat, mogen jongens meestal antwoorden, terwijl meisjes getoetst worden op hun kennis.

Ook registreert de studie dat het tempo in de klas erg hoog ligt: na een vraag heeft de leerling nauwelijks tijd om na te denken over het antwoord. Volgens Dolle zijn deze resultaten internationaal al langer bekend. Nieuw aan het FROG-onderzoek is echter de coaching van de leerkrachten na de observatie. Geconfronteerd met hun taalgedrag gaan docent en begeleider om de tafel zitten met de vraag wat er aan verbeterd kan worden. Dolle is wat dat betreft optimistisch: bij de tweede video-opname zie je al spectaculaire verbeteringen. Zo neemt de gemiddelde denkpauze toe van 2,5 seconde tot 5 seconde per vraag. Vooral meisjes doen daar hun voordeel mee.

Het onderzoek naar taal in de klas ontwikkelt zich steeds verder. Een beurt is niet zomaar een beurt: een leerling kan op verschillende manieren aangesproken worden. Een leerkracht kan een rechtstreekse beurt geven, waarbij hij de leerling aanwijst of een wie-weet-het-beurt. Hierbij wordt de vraag aan de hele klas gesteld en zijn jongens meer dan meisjes geneigd te reageren. Worden er dus veel van deze beurten gegeven, dan zijn de jongens in het voordeel.

Meisjes ten slotte krijgen vaker gênante hulpbeurten, waarbij het antwoord ze half wordt voorgezegd, terwijl jongens vaker geraadpleegd worden wanneer een vraag door een medeklasgenoot niet goed is beantwoord. Deze zogenaamde correctiebeurten versterken het zelfvertrouwen van de leerling.

Dolle gebruikt het voorbeeld van de correctiebeurten om te onderstrepen hoe groot de invloed van taal is op de ontplooiing van leerlingen: ``Het idee dat een docent vertrouwen in je heeft, vergroot je plezier in het vak. Prestaties gaan erdoor vooruit. Neem de Griekse beeldhouwer Pygmalion. Die was zo verliefd op het beeld dat hij aan het maken was, dat de vrouw onder zijn handen tot leven kwam. Dus: het beeld dat je schept, letterlijk of figuurlijk, wordt werkelijkheid.''

Ook wiskundedocent Debets kent het mechanisme, al heeft hij er een minder poëtisch beeld bij: ``In mijn studietijd heb ik eens gelezen over een experiment met twee groepen ratten die voedsel achter een deurtje moesten zien weg te halen. De groep die, volkomen willekeurig, door de onderzoekers slimmer werd genoemd, lukte dat het beste.''

langere denkpauzes

Hoezeer de onderwijskundige, de docent en de leerling het ook met elkaar eens zijn, er lijkt toch meer voor nodig dan langere denkpauzes en meer correctiebeurten om meisjes en masse aan exacte studies te krijgen. Want dat is de theorie die de Leidse onderwijskundige in Taal in de klas uiteenzet: de manier waarop taal gebruikt wordt in de klas, heeft een grote invloed op het zelfvertrouwen van de leerling. Door veranderingen in het taalgedrag van de docent zouden leerlingen, en dan vooral meisjes, het gevoel krijgen meer gewaardeerd te worden. Uit dit toegenomen zelfvertrouwen schatten meisjes zich hoger bij de studiekeuze en durven het beter aan een als moeilijk bekend staande exacte studie te kiezen.

Dolle is realistisch genoeg om toe te geven dat het helaas zo simpel niet ligt: ``Er spelen ook maatschappelijke factoren een rol. Niet alleen meisjes maar ook jongens kiezen steeds minder voor een exacte studie. Zoveel mogelijk docenten zouden zich bewust moeten worden van hun taalgebruik. Er is op grond van mijn onderzoek al veel lesmateriaal gemaakt voor de lerarenopleidingen. Nu hoop ik ook de mensen die al werkzaam zijn in het onderwijs te bereiken.''

Dr. Dora Dolle-Willemsen, Taal in de klas. Onder redactie van dr. Agnes Sneller en dr. Agnes Verbiest. Uitgeverij Contact. Prijs: ƒ14,90.

    • Lenneke van der Burg