Importeer onderzoekers!

Plotseling zit biomedisch Nederland met onderzoeksvacatures. Er is geld voor onderzoeksprojecten, maar de tijdelijke medewerkers die zulke projecten moeten uitvoeren, de promotie-assistenten en de post-docs, zijn moeilijk te vinden. Het mooie vooruitzicht om vier jaar lang voor een bescheiden salaris keihard te mogen werken, trekt niet meer.

Verrassend is dat niet. Al jaren wordt er bezuinigd op onderzoek in Nederland en daardoor werd een biomedische carrière een loterij met veel nieten. De overheid bezuinigde, de universiteiten krompen, en de industrie doekte het fundamentele onderzoek op. Voor briljante, welbespraakte onderzoekers waren er altijd nog aardige banen, maar niet iedereen is briljant en welbespraakt. Solide, goed opgeleide onderzoekers, die minder geschikt bleken voor een academische carrière of die liever een meer toegepaste onderzoekskant op wilden, vonden onvoldoende leuke banen. Die stagnerende doorstroom van onderzoekers is geen aanmoediging voor nieuwkomers.

De tijdgeest zit ook niet mee. Scholieren willen graag een prettig beroep, iets met mensen, voldoende ontplooiingsmogelijkheden, een niet al te gecompliceerde studie, vooral niet te hard werken en dan vallen biologie, scheikunde of natuurkunde al gauw af. Wie een beetje slim is, wil uiteraard ook goed verdienen, liefst een baan met een optieplan. Een middelmatige manager van een middelgroot bedrijf ziet zijn inspanningen beloond met opties ter waarde van enige miljoenen, maar voor onderzoekers zit dat er niet in. Een enkele onderzoeker weet zijn slimme ideeën in te brengen in een eigen bedrijfje en dat kan wel eens miljoenen opleveren, maar ook de meest briljante professor, die zijn afdeling beter leidt dan een captain of industry, zal zijn opties niet zien stijgen, want die opties zijn er niet voor academische onderzoekers. Een volwassene zonder optieplan, dat maakt geen blitse indruk.

Wat te doen? Voor de korte termijn lijkt import mij de enige oplossing. De Amerikanen zijn ons daarin voorgegaan. Ook in Amerika is er al jaren een tekort aan biomedische onderzoekers in opleiding van eigen bodem en dit tekort wordt aangevuld door import uit ontwikkelingslanden en recent ook uit Oost-Europa. Eén van mijn wetenschappelijke concurrenten is een Amerikaanse Rus, die geregeld naar Moskou reist om Russische onderzoekers te interviewen en de beste uit te zoeken voor zijn eigen laboratorium. Een andere collega is vaak te gast in India en omstreken, omdat hij veel weet van grondwaterbesmetting met arsenicum. Zijn laboratorium wordt bevolkt door promovendi en post-docs uit India, Pakistan en China. Uiteraard leidt dit tot een brain-drain, want de beste import post-docs gaan niet meer terug naar het land van herkomst, maar vinden een baan in Amerika. Is het niet immoreel om ontwikkelingslanden te ontdoen van hun best opgeleide mensen?

Zelf hebben die post-docs daar een duidelijke mening over. Ons romantische beeld van de blote-voetenonderzoeker, die met primitieve hulpmiddelen de klemmende problemen van een ontwikkelingsland oplost, kan hun niet bekoren. Zij willen serieus onderzoek doen, krijgen daar geen gelegenheid voor in eigen land, en zij pogen dus weg te komen naar een rijk Westers land, waar dat wel mogelijk is. Wie dat in de weg staat wordt als een paternalistische neokoloniaal beschouwd.

Ook de oudere generatie in deze landen denkt er vaak zo over. Dat geldt zeker voor de Russen die ik heb gesproken. Zij zien dat de wetenschappelijke infrastructuur in hun land in elkaar is gestort en zij raden iedere jongere onderzoeker aan om te pogen naar het Westen te ontkomen. Anders gaat een hele generatie verloren. Als de jonge Russen naar Amerika gaan, is er een kans dat ze onderzoek kunnen blijven doen en dat ze eens weer terugkeren, als de situatie in Rusland verbeterd is.

Ik heb dit dilemma ook nog eens voorgelegd aan Fotis Kafatos, een van de talloze Grieken die naar de VS zijn gelokt, waar hij hoogleraar biologie in Harvard werd. Later heeft hij een tijdje gependeld tussen Harvard en een nieuw moleculair biologie-instituut op Kreta. Nu is hij directeur van het grote Europese Moleculair Biologie Laboratorium (EMBL) in Heidelberg. Kafatos heeft een ondubbelzinnig standpunt: zolang Griekenland zelf geen wetenschappelijke infrastructuur heeft, is Amerika de beste oplossing voor Griekse onderzoekers in de dop. Dat creëert externe ondersteuning voor serieuze wetenschap in Griekenland. De Griekse emigrant blijft betrokken bij het gehannes in Athene, net zoals sommige Nederlandse emigranten nog geregeld wijze raad sturen naar Nederland of helpen bij wetenschappelijke site visits hier. Tegen de tijd dat de Europese Unie Griekenland economisch mee gaat trekken, zullen sommige Grieken terugkomen als een Amerikaans infuus in Griekse wetenschap. Kafatos vindt daarom dat wij alle zeilen moeten bijzetten om ambitieuze, capabele biologen uit Oost-Europa hier de kans te bieden om onderzoek te doen en als directeur van het EMBL werkt hij daar ook zelf aan mee.

Import alleen is niet genoeg. Verdere afkalving kan alleen gestuit worden als het beroep van biomedisch onderzoeker aantrekkelijker wordt. Op korte termijn kan dat alleen door hogere salarissen en betere begeleiding bij de opleiding. Die salarisverhoging komt. Nu al worden toeslagen betaald aan promovendi met een sterke marktpositie en bij de huidige schaarste komen die toeslagen ook voor andere biomedische vakken. Veel zal dat niet helpen. Het aanbod is immers beperkt en dat wordt ook niet op korte termijn beter. Nadat jarenlang de instroom van biologische studenten relatief constant is gebleven, is dit jaar het aantal eerstejaars 10 % minder. Er is ook nauwelijks een mobiliseerbare arbeidsreserve. Fundamenteel onderzoek is competitief en leent zich slecht voor duobanen. Met amateur-voetballers win je de Europacup niet en met onderzoekers die maar een beetje werken doe je geen grote ontdekkingen.

Op middellange termijn is het beroep van biomedische onderzoeker aantrekkelijk genoeg, want er zijn beroepsmogelijkheden te over. De biotechnologie is, volgens de Amerikanen, een van de twee grote industriële groeigebieden in de komende eeuw. Functionele voeding (functional foods, zie Katan, Lancet 354, p. 794,1999) raakt in de mode en eens zal de voedingsindustrie daar ook enige wetenschappelijke rechtvaardiging bij moeten leveren. Ook voor ondernemende onderzoekers zijn er kansen. Ten minste één biologiefaculteit houdt daar al rekening mee in de opleiding door een onderwijsmodule `zelf een bedrijf starten' aan te bieden.

Daarbij komt dat veel van de problemen in onze maatschappij een biologische basis hebben; veel beleidsfuncties kunnen daardoor beter vervuld worden door mensen met een stevige basis in het biologische onderzoek dan door sociologen of juristen. Als je ziet waar ons parlement nu over discussieert, dan zou eigenlijk ten minste de helft van alle Tweede-Kamerleden een solide natuurwetenschappelijke opleiding moeten hebben. Nu is dat een enkeling en die legt nauwelijks gewicht in de schaal.

Op langere termijn zal er iets gedaan moeten worden aan de waardering voor de natuurwetenschappen. Regering en parlement roepen wel eendrachtig dat Nederland kennisland moet worden, maar dat die nieuwe kennis niet aan komt waaien via het internet, maar vergaard en geïntegreerd moet worden, dat begrip ontbreekt. Nederland wordt kennissenland, geen kennisland als er geen benul meer is van natuur en techniek. Wie moet straks die kennisintensieve nieuwe producten maken als in het VWO alleen nog maar pretpakketten worden gekozen en de leerlingen giechelend naar een eindexamen gaan dat ongeschikt is voor een natuurwetenschappelijke studie? Nederland kennisland moet toch in de eerste plaats betekenen `Nederland natuurwetenschappelijk kennisland'. Het is die natuurwetenschappelijke en technologische kennis die het verschil uitmaakt tussen 1999 en 1899, en die de basis zal vormen voor de industriële vernieuwing in de 21ste eeuw.

    • Piet Borst