Het protest der bureaucraten

Ver voordat ik een vak had geleerd, laat staan uitoefende, verlangde ik al naar een organisatie die mij, machteloze eenling, verdedigde tegenover machthebbers (ouders, badmeesters, leraren) die ik in mijn eentje niet aankon. Was er in mijn tijd een kindertelefoon of een scholierenvakbond geweest, dan zou ik me daar vast en zeker bij hebben gemeld, zoals ik me direct bij studentenvakbond ASVA aansloot toen ik ging studeren. Als journalist ben ik lid van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) die op haar beurt is aangesloten bij de FNV.

Altijd ben ik ervan overtuigd geweest dat een werknemer lid van een vakbond behoort te zijn. Mijn hart ligt dus bij de vakbeweging. Daar zit ook wel wat achterhaalde romantiek uit het begin van de eeuw bij. Henri Polak! Roosje Vos! De worgwetten van Kuyper! Which side are you on? De laatste stoere bonk die de dovende sintels van het vakbondssentiment nog enigszins wist aan te blazen was zo'n twintig jaar geleden Herman Bode (Willen we naar de Dam? Dan gaan we naar de Dam!)

Als FNV-voorzitter Lodewijk de Waal mocht hebben getracht zich in het conflict tussen het kabinet en de sociale partners over de uitvoering van de sociale zekerheid als zo'n klassieke vakbondsleider te manifesteren (knuisten op tafel, grote bek, oorlogsverklaring), dan moet mij van het hart dat hij daarmee bij dit vakbondslid voornamelijk op de lachspieren heeft gewerkt. Haha, mijn voorzitter! In het perscentrum Nieuwspoort maakte hij afgelopen dinsdag een karikatuur van zijn rol. Zijn dreigementen klonken als holle satire.

Waarschijnlijk heeft dit minder te maken met de kwaliteit of de persoon van De Waal, dan met de aard van het conflict. Welk vakbondslid kan zich nu werkelijk druk maken over de positie van door de vakbeweging en de werkgevers gecoöpteerde beroepsmanagers in de bureaucratie van de sociale zekerheid? Dat zullen er maar zeer weinigen zijn.

Natuurlijk: de vakbeweging heeft altijd voor de sociale zekerheid gestreden en draagt voor de kwaliteit en de duurzaamheid daarvan grote verantwoordelijkheid. Maar hier gaat het zuiver om een stoelendans, om bestuurlijke functies en de daarbij behorende inkomsten van 1,7 miljoen gulden per jaar die de FNV dreigt mis te lopen als de overheid eigenhandig de uitvoering van de sociale zekerheid zou gaan bestieren. Ook de werkgeversorganisaties zullen jaarlijks samen zo'n 2,5 miljoen gulden per jaar aan inkomsten kwijtraken als de kabinetsplannen doorgaan, vandaar de roerende eensgezindheid tussen de voormalige klassenvijanden.

Welke ambtenaren of pseudo-ambtenaren in de kantoorflats aan de ovale vergadertafels zitten, zal de leden van de FNV en de andere vakbonden in hoge mate onverschillig laten, denk ik zo. Dus als De Waal zich zo opwindt, en zichzelf daarbij enigszins lijkt te overschreeuwen, dan komt dat voort uit machteloosheid (altijd de oorzaak van overschreeuwen). De macht van de vakbeweging is tenslotte even groot als de bereidheid van de vakbondsleden om in actie te komen. Heel het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil – maar de enigen die woedend hun vuisten ballen over het kabinetsvoorstel, zijn nieuwe en oude vrijgestelden die al jaren gewend zijn een slap handje te geven.

Niet de positie van de vakbondsleden, maar de institutionele positie van de sociale partners is in het geding. Die `sociale partners' gedragen zich als een soort moderne regentencorporatie, een getrouwe nabootsing van de Heren XVII van de Verenigde Oostindische Compagnie.

Is de invloed van werkgevers- en werknemersorganisaties op de uitvoering van de sociale zekerheid dan geen wezenlijk belang van iedereen die op de sociale voorzieningen is aangewezen, nu of in de toekomst? Welnee, Klaas de Vries en zijn ambtenaren kunnen dat ten minste even goed of beter regelen dan Lodewijk de Waal met zijn collega's en hun bondsbeambten.

De vakbeweging maakt geen uitzondering op de regel dat instituties, ook al hebben ze een grote aanhang en een democratische grondslag, de natuurlijke neiging vertonen hun eigen functies en hun eigen bestaan een onaantastbare status te geven. Ze beschermen hun eigen hachje door middel van afzondering, interne discipline en uitsluiting van vermeende concurrenten. Ze hebben de neiging tot doel in zichzelf in plaats van tot middel te worden, verliezen hun doelen uit het oog en dreigen zo zelfs hun bestaansrecht te verliezen.

De graadmeter voor het goed functioneren van een vakbeweging is of ze in staat is haar leden te mobiliseren. Misschien wordt het tijd dat de vakbeweging zich eens op haar toekomst gaat bezinnen, zich afvraagt welke taken ze nog heeft in de volgende eeuw en hoe ze haar leden waar voor hun geld kan geven. De afgelopen jaren is het aantal vakbondsleden in Nederland dramatisch teruggelopen. Als De Waal niet oppast, kan hij binnenkort niet eens meer als `sociale partner' uit een overleg stappen, omdat hij – bij gebrek aan leden – geen sociale partner meer is. Vanuit de polder stapt hij in een moeras.

Hebben we in dit informatietijdperk nog wel vakbonden nodig? Ik denk van wel, maar niet in de vorm van een bureaucratisch apparaat dat voornamelijk de verdeling van geld uit de algemene middelen wil beheren.

Belangenbehartiging is iets anders dan groepsegoïsme. Sinds deze week willen de sociale partners niet meer praten met de overheid, de milieubeweging niet, de boeren niet. Als nijdige kleuters gaat men met de rug naar de democratie staan, zodra de eigen machtspositie dreigt te worden aangetast. Maar uiteindelijk kan in een parlementaire democratie alleen in het overleg tussen regering en Staten-Generaal een geldige, zij het altijd voorlopige, uitspraak over het algemeen belang worden gedaan. De definitie van het poldermodel als een bundeling van groepsegoïsmen kan niet kloppen. Dat blijkt nu. Overleg met alle betrokkenen is mooi en decentralisatie van beslissingsmacht evenzeer. Maar het is op den duur onmogelijk een land te regeren waar het algemeen belang stelselmatig wordt beschouwd als een optelsom van groepsbelangen.

Regering, regeer!

    • Elsbeth Etty