Die heerlijke jaren vijftig

De foto heeft de tweede plaats veroverd bij de verkiezing voor het Fotoboek van de Eeuw. Hij werd ook in deze krant afgedrukt met als verklarende tekst: Nederlands gezin in de jaren vijftig. Vader, moeder en vier zoons van twaalf en jonger. Keurig opgeruimde kamer, meubels schuin in het gelid. Jongens allemaal in bloesjes met dezelfde Schotse ruit en korte broek. Pijprokende vader schaakt met oudste zoon, moeder zit met het kleintje op schoot, de twee middelsten liggen te kijken hoe hun spoortreintje de ovalen rails rondrijdt. De suggestie is duidelijk: ziehier de jaren vijftig, saai, netjes en gezapig.

Waar dat stereotype vandaan komt is mij een raadsel, maar je leest en hoort het iedere keer weer. In de jaren vijftig gebeurde er nooit iets, het dagelijks leven was bedompt. Pas in de jaren zestig zou er lucht zijn gekomen. Iedereen praat en schrijft het iedereen na. Maar was het inderdaad zo?

In plaats van te kiezen voor donker velours en trijp had men voor hetzelfde geld een interieurfoto kunnen laten winnen met de lichte meubels van Pas Toe en katoenen gordijnen van De Ploeg, die bij jonge gezinnen in de mode kwamen. Een rommeliger huiskamer ook, vanwege de kleine behuizing. Maar dat zou het behaaglijke stereotype verstoren.

In de eerste helft van de jaren vijftig viel mijn middelbareschooltijd, in de tweede helft mijn studententijd en ze eindigden met mijn huwelijk. Was mijn leven en dat van de jonge mensen om mij heen – daar wil ik me toe beperken – toen saai, netjes en gezapig? Inderdaad, er waren geen televisie en video, geen drugs en veilige voorbehoedsmiddelen, geen maandelijks veranderende mode en geen piercing. Dat wil echter niet zeggen dat er geen plezier, angst, geluk, spanning, bezorgdheid en vreugde werden beleefd. Uitgelatenheid en treurigheid zijn van alle tijden, mooi en lelijk ook, de jaren vijftig niet uitgezonderd. Waar je geen weet van hebt, mis je ook niet. Wat voor de beleving van toen telde, was wat er toen speelde aan verandering, vernieuwing en spanning.

Wat me vooral zo verbaast in die napraterij over de jaren vijftig is het idee dat er op het wereldtoneel weinig tot niets te beleven viel. Ik groeide niet op in een gezin van wereldverbeteraars en barricadebeklimmers. Maar bij ons thuis werd wel gelezen en gepraat over de oorlog in Korea (1950-1953). Het kwam even dichtbij toen een broer van een schoolgenoot daar sneuvelde. Over de onafhankelijkheidsoorlog in Indochina tegen de Fransen die tot 1954 duurde. Ik ben toch niet de enige voor wie Dien Bien Phu een plaatsnaam uit de jeugd is? En het denkende deel van de oudere mensen in die tijd is aan die oorlogen toch ook niet achteloos voorbijgegaan? Evenmin als anderzijds aan de oprichting in 1952 van de Kolen- en Staalgemeenschap als basis voor eenheid en dus hopelijk duurzame vrede in West-Europa. In mijn eerste jaar aan de Amsterdamse universiteit was er de Hongaarse opstand en twee jaar daarvoor was de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije begonnen, die tot in de jaren zestig zou duren. Ik zal niet zeggen dat zij mij en mijn vriendenkring geheel in beslag namen, maar ze maakten wel degelijk deel uit van onze denk- en praatwereld, zeker toen in 1958 De Gaulle president werd.

In Nederland zelf was er in 1953 de watersnood. Er verdronken 1835 mensen, onder wie de naaste familie van een klasgenoot, zodat er wel iets mee te leven viel. De vele kinderen uit Indië brachten een voorheen onbekende wereld binnen mijn blikveld. En heus niet alleen vanwege de flessen water op de wc. Het fotoalbum van het leven op de theeplantage dat ik te zien kreeg op een somber bovenhuis is een voor altijd ingeprent symbool voor ontheemd zijn. Gelukkig was mijn moeder altijd thuis als ik uit school kwam.

Maar er viel ook veel vrolijks te beleven. Ik hoorde niet tot de jeunesse dorée, ons leven was sober. Maar er waren de frequente schoolfeesten thuis bij vrienden. De muziek was voor ons nieuw – eerst vooral dixieland, later ook Franse chansons. Het dansen was soms lief, soms spannend. Er werd gevreeën, maar met mate en fantasie, want er was nog geen pil. We wisten zelfs niet dat die er ooit zou komen. We dronken de voorheen onbekende Cola. In de zomer speelden we volleybal op het strand, beachvolley avant la lettre. Sport ja, maar ook erotiek, die niet zo ver af ligt van die in sommige aan stranden opgenomen reclamefilmpjes. De hoeveelheid in badpakken verwerkte stof zegt zo weinig.

Ik was lang niet altijd gelukkig, maar daar konden de jaren vijftig niks aan doen. Dat lag meer aan een melancholieke inslag en vergeefse verliefdheden.

Tegen het eindexamen hoorden we over het existentialisme, kreeg ik de bijpassende paardenstaart en zwarte coltrui. Maar ik ging ook nog iedere zondag naar de kerk. Al mocht ik – en dat was weer nieuw vergeleken met mijn broer en zusjes in de jaren veertig – van mijn ouders ook naar de Engelse of Franse kerk gaan. Op mijn literatuurlijst stonden de vijftigers en Anna Blaman tussen Bloem en Arthur van Schendel.

Was het studentenleven in Amsterdam vanaf 1955 saai en oubollig? Jazz bracht een heel nieuwe muziekbeleving. Er was kritisch studentencabaret. En werden de toneel stukken van Tennessee Williams al eerder dan in de jaren vijftig gespeeld? Er werd veel en veilig gelift door Europa, vooral maar niet alleen naar Parijs.

Er werd ook veel gefeest, dit keer wel met alcohol. Goedkope landwijn, Franse kaas, kaarsen in flessen en visnetten aan de muur. Dat was het zo ongeveer, maar de verwachtingsvolle opwinding die een dergelijke ambiance voor ons te weeg bracht zal niet zo veel anders zijn geweest dan die in een disco van nu.

Opwinding ook over de eerste televisie-uitzendingen. En het was toch heus in de jaren vijftig dat de dromen over reizen in ruimte werkelijkheid werden met Joeri Gagarin – hoeveel Nederlandse jongetjes werden er niet naar hem genoemd – in de Spoetnik.

Het lijkt me zowel historisch als psychologisch zinloos het leven in vroegere perioden te bekijken met de ogen van nu en vervolgens over dat verleden een waardeoordeel uit te spreken vanuit het huidige referentiekader.

    • Rita Kohnstamm