Verfrissend sloopwerk

Het Centraal Museum in Utrecht werd in de loop der decennia steeds donkerder en voller.

De nu voltooide verbouwing geeft een sensatie van ruimte.

Op de menukaart: soep van de dag, drie soorten broodjes en verder een uitgebreide collectie taarten en goede wijnen. Met een heus caférestaurant is het Centraal Museum in Utrecht niet langer `het meest spartaanse museum van het land als het om gastvrijheid gaat', zegt directeur Sjarel Ex tevreden. Met één hand tilt hij een van de tachtig stoelen op die in slagorde staan opgesteld aan weerszijden van twee, ruim twintig meter lange tafels. De gelijkvormige, verschillend gekleurde zitmeubelen zien er massief en loodzwaar uit, maar zijn gemaakt van kunststof en van binnen hol. Stoelen en tafels werden ontworpen door Richard Hutten, evenals de barokke kroonluchters met naakte lichtpeertjes en het barmeubel in de voormalige refter van het middeleeuwse Agnietenklooster. Hier aten eeuwen geleden de nonnen hun schamel brood. De borden zijn door Ronald Jan Kwakel ontworpen en het glaswerk is van Aernout Visser. Drie ontwerpers van het nuchtere, maar ook een tikje geestige Utrechtse collectief Droog Design waarvan het Centraal Museum in 1997 de collectie 1991-1996 verwierf.

Naast de Vlaamse architecten Stéphane Beel en Lieven Achtergael en de Utrechtse architect Peter Versseput heeft Sjarel Ex bij de grondige renovatie en bescheiden nieuwbouw van `zijn' museum – totale kosten 37 miljoen gulden – ook `zijn' ontwerpers en kunstenaars ingeschakeld. De meeste van hen waren al met werk in het Centraal Museum aanwezig.

De wc-potten en bijbehorende wasbakken komen in ongelimiteerde oplage uit het Atelier van Joep van Lieshout. Je schiet onwillekeurig in de lach als je daar waar je een rustig, hygiënisch wit kamertje verwacht ineens oog in oog te staan met oerdegelijk, knalgroen sanitair. Vrolijk stemmende gebruikskunst.

Elegantere wandvitrines dan die van Marieke van Diemen zijn nauwelijks denkbaar. De kunstenares balanceert met haar werk op de grens van sculptuur en vormgeving en geeft op vijf plaatsen in het museum op vijf verschillende manieren haar visie op de uitstalkast. Voor een ondergrondse, licht hellende gang heeft zij een lange wandvitrine ontworpen die in een perspectivische dans is verwikkeld met de dalende en klimmende horizon in de kokerachtige ruimte. Het zorgvuldig afgewerkte vitrinesnoer met de daarin getoonde archeologische objecten wordt mild weerspiegeld in de lichte gangwand daartegenover. Zo vergeet je alle dreigingen die aan een wandeling in ondergrondse gangen kleven.Het ensemble van gebouwen waarin de uiteenlopende collectie van Utrechts stedelijk museum is ondergebracht, groeide organisch als een kleine stad. Het oudste gedeelte bestaat uit de kapel en refter - gebouwd tussen 1512 en 1516 - van het Agnietenklooster. In 1920 huisvestte het Centraal Museum zich in het klooster, dat voor dit doel werd uitgebreid met een nieuwe vleugel, opgetrokken in slappe neo-gotische stijl. Tot 1987 diende de voormalige cavaleriestallen in de tuin als museumdepot en werkplaats. In dat jaar maakte de Utrechtse architect Mart van Schijndel – hij overleed twee maanden geleden – van de stallen een mooie aaneenschakeling van moderne, witte expositieruimtes. Geheel in de geest van die tijd gebeurde dat met te weinig geld en te gebrekkige middelen waardoor vooral de isolatie van de stallen miserabel bleef. In de loop van de jaren negentig maakte het vocht de eensteens dunne muren week als nat karton en werden exposities in de stallen steeds minder verantwoord.

Spitsboogvensters

Het hoofdgebouw ontsnapte niet aan het lot van elk oud museumgebouw in de tweede helft van de twintigste eeuw. Ramen, in dit geval vele karakteristieke spitsboogvensters, werden weggetimmerd of geblindeerd. Depotjes en kantoortjes woekerden als onkruid in elke verwaarloosde hoek. Het Centraal Museum raakte verstopt en keerde zich naar binnen. In 1988 trad de toen 31-jarige Sjarel Ex aan als directeur. Hij beschouwde het als zijn eerste taak om het Centraal Museum weer van zijn beslotenheid te ontdoen.

Voor deze ingewikkelde opgave nam hij de Vlaamse architect Stéphane Beel in de arm. Niet omdat Beel een internationale sterarchitect is, het soort waarvoor de meeste van zijn collega-directeuren in het afgelopen decennium een voorkeur hadden als hun museum moest worden gebouwd of uitgebreid. Mendini in Groningen, Aldo Rossi in Maastricht, Kurokawa en Siza in Amsterdam. Nee, de betrekkelijk onbekende Stéphane Beel werd uitverkoren omdat Ex onder de indruk raakte van het talent van deze architect voor de organisatie van de ruimte.

De glooiende dennenbossen van het Belgische Rotselaar verbergen een aanlokkelijk bewijs van deze stelling, Villa P. (1994). Op slanke kolommen steekt de rechtlijnige patiowoning aan de achterkant als een geabstraheerde boomhut in de lucht. De uiterlijke vorm en ook de ruimtelijke compositie doen sterk denken aan Villa Savoy van Le Corbusier in Poissy.

Het kantoorgebouw voor het Verbond van de Christelijke Mutualiteiten in Eeklo moet Sjarel Ex ook hebben geïnspireerd. In 1993 maakte Beel het ontwerp waardoor een voormalige melkfabriek veranderde in een ziekenfondskantoor. Daarbij toonde hij zijn vermogen om niet alleen verschillende ruimten, maar ook andersoortige architectuur op voorbeeldige wijze met elkaar in evenwicht te brengen.

Terecht gaf Ex bij zijn architectenkeuze de voorkeur aan een architect met een moderne, terughoudende stijl en met een sterk ontwikkeld gevoel voor ruimtelijke transparantie. Innerlijke helderheid was het eerste dat het Centraal Museum nodig had. Geen grootscheepse nieuwbouw. Dat zou trouwens in de oude binnenstad van Utrecht zijn uitgesloten. Alles staat hier bloot aan de argusogen van Monumentenzorg en omwonenden. Het nieuwe entreegebouw van glas en staal dat Beel en zijn compagnon Lieven Agtergael uiteindelijk als enige vorm van nieuwbouw aan het museum hebben toegevoegd, is heel bescheiden en van de straatkant nauwelijks te zien. Toch heeft het nog 24 bezwaarprocessen opgeleverd.

Het wulpse, smeedijzeren hek, rood van kleur, dat kunstenaar Gerard Polhuis maakte om de smalle doorgang tussen de Nicolaaskerk en het nieuwe entreehuis af te sluiten, staat in schril contrast met de strakke creatie van Beel en Agtergael. Met dit glazen toonbeeld van soberheid - stalen trappen, donkergetinte betonnen vloeren - introduceren zij de mentaliteit waarmee de renovatie is uitgevoerd. Voor zij begonnen te tekenen in 1994 wees Sjarel Ex de Vlaamse architecten op het werk van Gordon Matta-Clark. Deze Amerikaanse kunstenaar baant zich met kettingzagen en voorhamers een weg door oude, afgeschreven gebouwen om er met geweld fotogenieke ruïnekunst van te maken.

Lichtnissen

De Belgische architecten hebben de suggestie van Ex ter harte genomen, met dit verschil dat zij diep respect toonden voor de museumgebouwen waarin zij hun gang mochten gaan. Zij maakten nieuwe doorgangen, haalden happen uit muren en zelfs uit de immense zadeldaken waardoor op de zolderverdieping - het publieke domein van de studie-afdeling en de kinderen - mooie lichtnissen zijn ontstaan. Veel ingrepen gaan ongemerkt aan de bezoeker voorbij omdat het vroeger zo'n onvoorstelbaar rommeltje was dat je je niet meer, in detail, de oude inrichting voor de geest kunt halen. De gedaanteverwisseling van het Centraal Museum is een verademing. De doorlopende route door het museum is vanzelfsprekend geworden. Door de vele ramen is er vanuit alle omringende gebouwen regelmatiger visueel contact met de kloostertuin die ook een veelbelovend nieuw leven in het vooruitzicht heeft. De directeur beweert zelfs dat vijf soorten gras met verschillende, seizoensgebonden groeitijden voor indrukwekkende effecten gaan zorgen. De hoogte van de tarwehalm moet niet worden uitgesloten.

Buiten het entreegebouw bevindt de meest opvallende, toegevoegde architectuur zich in de vroegere toegangshal. In een nieuwe vide die reikt van begane grond tot zolderverdieping is een stalen constructie met een nagenoeg transparante liftschacht gebouwd. Oók in de vide, hoog in de halwand, een spectaculair groot raam dat uitzicht biedt op de trap naar het eerste `kamertje' dat niet groter is dan een bordes.

De `kamers' zijn nieuwe elementen in de museumopstelling; dichte dozen in de museumzalen, slechts door één deur, of poort toegankelijk. Om te beginnen herbergen zij de stijlkamers waarvan het museum er in totaal vijftien bezit. De sensatie die in de kamer te beleven valt, moet de rust verstoren die in de expositiezalen heerst. Dat is het principe. De geheel betimmerde woonkamer met goudleer behang, tussen 1910 en 1920 ontworpen door Lion Cachet voor een Amsterdams familiehuis aan het Frederiksplein, wordt buiten de wanden omspoeld door de ontdekking van de moderne kunst aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Op deze manier wil Sjarel Ex de museummoeheid te lijf gaan.

Naast stijlkamers zijn ook bijzondere kunst- of historische projekten geschikt voor een van de tien kamers die in totaal in het museum zijn gebouwd of getimmerd. De beerput van Abraham Bloemaert bijvoorbeeld. De katholieke, zeventiende-eeuwse schilder leefde op grote voet en dat bleek uit zijn afval dat in 1994 onder de Utrechtse Mariaplaats werd ontdek. Brokjes kinderspeelgoed, glaswerk, majolica, een schenkkan die op een van zijn schilderijen staat afgebeeld, een wierookvat, al deze attributen worden getoond in de kamer van Bloemeart die met schilderijen, archeologie en roodfluwelen gordijnen de theatrale sfeer van de zeventiende eeuw zal meekrijgen.

De opmerkelijkste `kamer' is geleend van het Amsterdamse Stedelijk Museum. Het is de slaapkamer van dr. Harrenstein, in 1926 ontworpen door Gerrit Rietveld. In een op maat getimmerde triplex container werd het interieur weer nauwkeurig in elkaar gezet als pièce de résistance van de jongste uitbreiding van het Centraal Museum, de Rietveldvleugel. Ook wel `Aan de overkant' genoemd, omdat het gaat om het voormalige Willem Arntszhuis aan de overzijde van de Agnietenstraat. Het vroegere `psychiatrische huis' is voor de komende dertig jaar gehuurd door het Centraal Museum en door de Utrechtse architect Peter Versseput (48) verbouwd tot een eerlijke, doelmatige museumvleugel. Het moet een heidens karwei zijn geweest. De verhalen over doolhof en kamertjeswildgroei in het langgerekte, negentiende-eeuwse bouwwerk zijn legendarisch. Je hoort architecten weleens zeggen, hoe beperkter het budget, hoe beter het gebouw. Dat is vaak onzin, maar zou in dit geval, met het krankzinnige bedrag van één miljoen gulden, weleens waar kunnen zijn. Uiterlijk is het gebouw uiteraard onaangetast gebleven; innerlijk lijkt het grootste deel van dat ene miljoen vooral aan sloopwerk te zijn uitgegeven.

Wat resteert zijn twee boven elkaar gelegen lange gangen direct achter de voorgevel met aan de andere kant een reeks kabinetten, kamers en lokalen. De overheersende toon van dit aan het werk van Rietveld gewijde gebouw is wit. De herfstige kleuren die gastkunstenaar Peter Struycken op de muren en vloerpanelen heeft aangebracht, geven de meest mislukte stoel van Gerrit Rietveld nog iets vrolijks. Het is de bedoeling dat om de zoveel maanden een andere kunstenaar de toepasselijkste kleuren bij Rietveld zoekt. Hoeft dat niet te vaak? Laat Struycken en Rietveld voorlopig nog een jaartje aan elkaar wennen. Dat zal de concentratie op de Rietveld-meubelen alleem maar ten goede komen.

De Rietveldvleugel kreeg een felkleurige uitroepteken van kunstenaar Krijn de Koning (1963) die een acht jaar oude band heeft met het Centraal Museum. Hij ging daadwerkelijk het gebouw te lijf met een betonzaag, haalde muurvlakken weg en creëerde, over twee etages een driedimensionale constructie die nog het beste te vergelijken is met een folly. Deze schilderde hij in heldere kleuren. Zo ontstond een vrolijk, voor het publiek toegankelijk beeld dat onvermijdelijk aan De Stijl doet denken en aan de onsterfelijke Utrechtenaar, Gerrit Rietveld. Maar ook aan de ontwerpen van Droog Design en de glimmende, appelgroene wc-potten van Atelier Van Lieshout.

Zou Sjarel Ex, met de renovatie van het Centraal Museum gewoon een ouderwets Gesamtkunstwerk hebben willen maken?

Centraal Museum, Nicolaaskerkhof 1, Utrecht. Openingstijden vanaf 28 november, van maandag t/m zondag 11-17 uur.

    • Max van Rooy