Soul voor het hoofd

Geen genre blijft onbenut, en elk geluid is bruikbaar in het werk van de universele popmusicus Beck. Zijn nieuwe cd is iets té veelzijdig.

Elk decennium heeft zijn eigen eclecticus. De jaren zeventig hadden in David Bowie en Todd Rundgren twee muzikanten die uiteenlopende stijlen beheersten. Vooral het werk van Rundgren kende een rijke variatie. Van soulballads tot intergalactische space-rock, van heavy metal tot Kraftwerk-achtige elektronische muziek –geen genre of Rundgren liet horen dat hij er goed in thuis was.

In de jaren tachtig was Prince de universele popmusicus. Begonnen in de jaren zeventig als wonderkind met hijgerige synthesizersoul als specialiteit, ontwikkelde hij zich in het volgende decennium tot een muzikale omnivoor die net zo goed soul en funk kon spelen als gitaarrock, blues en pop.

De jaren negentig hebben in de nu 29-jarige Beck Hansen uit Los Angeles hun eigen universalist gekregen. Op zijn debuut-cd Mellow Gold uit 1994 was Becks universum nog beperkt tot folk, country, blues, rock en hiphop, maar op Odelay uit 1996 werd dit uitgebreid met onder meer zorgeloze pop, Tom Waits-achtige ketelmuziek en grunge-rock. Op Midnite Vultures, Becks deze week verschenen nieuwe cd, is zijn universum nog verder uitgedijd en laat hij horen dat hij en zijn band ook voor funk en soul niet terugdeinzen.

`Sexx Laws', het openingsnummer van Midnite Vultures, is zo'n typisch eclectisch Beck-nummer. Het begint met blazers die doen denken aan een of ander soulnummer van ruim dertig jaar geleden, maar halverwege duiken er plotseling de jankerige tonen van een steelguitar en banjogetokkel in op, die ten slotte met de blazers versmelten tot iets dat heel letterlijk als countrysoul klinkt.

Het tweede nummer, `Nicotine & Gravy', is nog complexer. Muziek die afkomstig lijkt van een Funkadelic-plaat uit de vroege jaren zeventig, wordt doorbroken door strijkers die omhoogwervelen als op Sgt Pepper's Lonely Hearts Club Band van The Beatles. Later barsten de blazers en strijkers uit in een samenspel dat uitmondt in een kabbelende, kwakerige funk-groove die uiteindelijk aan het gehoor wordt onttrokken door Arabische synthesizerdeuntjes en het lawaai van gitaren.

Stijlbreuken

Beck is een supereclecticus. Nog meer dan Rundgren en Prince maakt hij gebruik van alles wat hem voorhanden komt. Zijn voorgangers gebruiken veel stijlen, maar hun nummers kennen vrijwel geen stijlbreuken. Dat is nog eens goed te horen op Rave Un2 The Joy Fantastic, de onlangs verschenen nieuwste cd van Voorheen Prince. Het is een keurige opeenvolging van funky feestnummers, soulballads en gitaarrock.

Rundgren had in de jaren zeventig, net als later Prince, vaak niet aan één lp genoeg om al zijn ideeën en vondsten te laten horen. Maar hij hield zich wel altijd aan de regel `één idee per liedje'. Zo niet Beck. In veel nummers maakt hij gebruik van twee, drie, of nog meer verschillende muziekgenres en hij schrikt niet terug voor meerdere stijlbreuken binnen een paar minuten.

,,Ik heb letterlijk een aantal songs genomen, in stukjes gehakt en als één nummer weer in elkaar gezet'', zegt Beck in een interview in muziekblad Oor. ,,Zeker de helft is zo ontstaan. `Nicotine & Gravy' bestond uit drie verschillende songs waaraan ik tegelijkertijd werkte.''

Stijlwisselingen binnen één nummer zijn voor Beck zelfs nog niet genoeg. Hij voorziet zijn composities ook nog van scratch-geluiden, psychedelisch lawaai en samples van bijvoorbeeld het geluid van een scherp mes dat langs metaal wordt gestreken. Becks nummers zijn geluidscollages die bestand zijn tegen vele keren luisteren.

Maar de knappe collages hebben ook een keerzijde: juist door hun briljante constructies krijgen ze iets buitengewoon gekunstelds. Ze missen de eenvoud en vooral directheid die de beste popmuziek eigen is. Ook Midnite Vultures, Becks eigentijdse versie van soul, is in de eerste plaats muziek voor het hoofd. Dit effect wordt nog versterkt door de teksten van de nummers. Anders dan Rundgren of (Voorheen) Prince probeert Beck angstvallig elk popcliché te vermijden, maar meer dan opeenstapelingen van ongerijmdheden zijn zijn teksten meestal niet. `Can't you hear those cavalry drums', zo begint `Sexx Laws' bijvoorbeeld. ,,Hijacking your equilibrium/ Midnights hags in the mausoleum/ Where the pixilated doctors moan/ Carnivores in the Kowloon night/ Breathing freon by the candlelight/ Conquettes bitch slap you so polite/ Till you thank them/ For the tea and sympathy.'

Nu doen teksten er natuurlijk niet zoveel toe in de popmuziek – een goede kreet als Gabba, gabba, hey is meer dan voldoende. Maar juist bij Becks nummers, die vaak uit muziek over muziek bestaan, is de verleiding groot om houvast te zoeken in de teksten. En die houvast is er niet. Integendeel, de teksten vergroten de afstand alleen maar.

Soulorkest

Ook tijdens concerten kan Beck de afstand niet overbruggen. Zelfs bij zijn korte optreden voor de VPRO-radio, afgelopen vrijdag in Felix Meritis in Amsterdam, bleef Beck in de verte. Zijn band, een compleet soulorkest met drie blazers en twee zwarte achtergrondzangeressen, speelde briljant, Beck zelf zong goed en het publiek stond er met zijn neus bovenop. Maar toch was het alsof het keek naar iemand die speelde dat hij popmusicus was. Beck deed alles wat andere popmuzikanten ook wel doen: hij greep de microfoonstandaard en tilde die boven zijn hoofd, hij klapte in zijn handen en riep `come on', hij sprong samen met zijn bandleden op en neer, hij zong op zijn knieën en hij rolde zelfs over de grond. Maar steeds was het alsof Beck zijn podiumgedrag net zo zorgvuldig en weloverwogen uit verschillende onderdelen had samengesteld als zijn muziek. Niets leek spontaan, en alles berekend.

Tijdens het Amsterdamse optreden speelde Beck één nummer waarbij alle bezwaren tegen zijn muziek wegvielen: `Debra', het laatste nummer van Midnite Vultures. Met een falsetstem zong Beck `Debra', dat dankzij blazers, wah-wah-gitaren en fender-piano klinkt als een oud, vertrouwd soulnummer. Dit keer geen ingewikkelde constructies en onbegrijpelijke onzinteksten, maar popclichés als `Girl, you drive me crazy' en een Prince-achtig refrein dat geen misverstand laat bestaan over de bedoelingen van de zanger: `I wanna get with you/ And your sister/ I think her name is Debra'.

Zulke nummers staan er wel meer op Midnite Vultures. Ook `Broken Train', met zijn overheersende marimba-klanken, en `Beautiful Way', met zijn dromerige steelguitar-klanken, zijn geen al te cerebrale muziekcollages. Beck is op zijn best als hij geen supereclecticus is, maar, net als zijn voorgangers Rundgren en Prince, een gewone eclecticus.

Beck: Midnite Vultures (Geffen Records 490 572-2).

    • Bernard Hulsman