Opstand der grijze pakken

Vraag en aanbod ontmoeten elkaar volgens de economische theorie bij een evenwichtige prijs. Op papier lijkt het systeem vredig: de tegenpolen vraag en aanbod zijn altijd op zoek naar evenwicht, maar in tegenstelling tot in het vermaarde poldermodel vinden de tegenspelers elkaar in het kapitalisme maar hoogst zelden in een happy end. De praktijk is ruw, onredelijk en soms een ramp: gedwongen fusies en overnames, overheidsingrijpen, rebelse arbeiders, exhibitionistische zelfverrijking, ecologische vernieling en talrijke vormen van uitbuiting.

Het hedendaagse kapitalisme, een bundel opstellen in het Twintigste jaarboek van het democratisch socialisme, wijkt met een enkele uitzondering weinig af van het ouderwetse kapitalisme waartegen de voorouders te hoop liepen. De ondernemers zijn nu misschien gepolijster, de arbeiders zijn beter gevoed en gekleed en er is meer regelgeving tegen de uitwassen van het systeem. Maar het winstmotief als drijvende kracht van de onderneming is alive and kicking.

Toch is er een cruciaal verschil met vorige stadia van het kapitalisme en dat is het grenzeloze geld, dat sinds een jaar of vijftien door steeds minder regels gehinderd langs de financiële markten trekt. Dit zijn de tijden van het mondiale financieel kapitalisme, zegt Arie van der Zwan in zijn bijdrage `Verantwoordelijke onderneming of verantwoordelijke maatschappij?' Voor de auteur, ondernemer en voorheen topman van de Nationale Investeringsbank en Vendex International, is het vraagteken overbodig. De verantwoordelijke maatschappij moet revanche nemen op de ondernemers, maar zij durft niet.

In het financieel kapitalisme is niet de beheersing van de productiemiddelen cruciaal, maar de beschikking over financiële fondsen die mondiaal ingezet kunnen worden. Bijvoorbeeld om te speculeren tegen nationale valuta of als belegging in overnames van hele bedrijven. In het financieel kapitalisme staat alles in het teken van geld, ook de privésfeer en onderlinge dienstverlening. Privatisering vervangt de collectieve sector.

Van der Zwans bijdrage is de meest prikkelende uit de bundel, al was het maar omdat verschillende auteurs de klassieke Haagse Post-reclameslogan Links, en toch leesbaar blijkbaar niet kennen. Als internationale, familiale beweging is de sociaal-democratie kennelijk nog steeds verplicht standpunten van zusterpartijen te volgen en te integreren, maar `wereldsysteem-analyses' en uitgebreide discussies over de Derde Weg leveren geen bijdrage aan een beter begrip van het kapitalisme. Echte politiek wellicht, maar geen echte economie, en zeker geen politieke economie. De mondialisering van het bedrijfsleven moet onder meer ingetoomd worden door grensoverschrijdende tegenkrachten, zo is een van de stellingen. Maar die krachten zijn er niet en als zij er al zijn, zijn zij niet effectief. In wezen is de sociaal-democratie niet veel verder dan in 1914, toen de arbeiders aller landen zich niet verenigden maar elkaar langs nationale lijnen op bevel van de generaals uitmoordden.

In Van der Zwans financieel kapitalisme is de `megacorporatie' de nieuwe boeman. De megacorporatie is de mondiale gigant, die `alle neuzen in één richting' wil hebben en de drijvende kracht is achter de uitholling van de nationale staat. Deze openlijke opstand van de kaste der grijze pakken heeft de instemming en de medewerking van de linkse beweging. De megacorporatie schuift soepel in het vacuum dat terugtrekkende overheden scheppen. Dit proces zet de deur open naar een `totalitaire samenleving', vreest Van der Zwan. `Grote ondernemingen worden door media en actiegroepen, hierin gesteund door idealisten, in feite gedreven in de richting van annexatie van sferen die niet tot hun domein behoren'.

Hoe prikkelend Van der Zwan ook is, zijn analyse berust op onbewezen aannames. Zetten de ondernemers een voet tussen de deur van de samenleving? Of krijgen de managers nu te veel macht toegedicht, alsof zij gezamelijk een (vooropgezet) plan uitvoeren? Even waarschijnlijk, zo niet waarschijnlijker, is dat zij net als politici meer of minder succesvol van het ene naar het andere incident stommelen. Hun verdediging is makkelijk: de overheid vráágt ons, bijvoorbeeld bij de financiering van infrastructuur of het stimuleren van banengroei in achterstandswijken. Good ethics is good profit. Gaat hun optreden echt verder dan pacificatie van potentiële onrust, zoals Hollandse politici dat nu eenmaal al decennia doen in hun coalitievorming en de vormgeving van maatschappelijke overlegstructuren? Nu het de ondernemers zo voor de wind gaat in de jaren negentig, verloopt die pacificatie simpelweg wat gemakkelijker dan in tijden van afkalvende winsten.

In zijn inaugurele rede als hoogleraar internationaal management zei voormalig Shell-president C. Herkströter het heel duidelijk. Hij maakte de ommezwaai na de affaire rondom de Brent Spar. Sindsdien probeert Shell invulling te geven aan een nieuw concept: de onderneming moet de samenleving zoveel informatie geven en zoveel verantwoording afleggen, dat de license to operate niet in gevaar komt. Dat `maatschappelijke' concept is een vernieuwing van bestaande politieke gebruiken, iets waarin ondernemers kennelijk beter zijn dan sociaal-democraten. Ondernemers proberen onzekerheden zo gering mogelijk te maken, want dat geeft maar onrust. Zeker in revolutionaire tijden als de huidige, met verschijnselen als internet en mondialisering. Vandaar dat er nu zoveel fusies plaatsvinden (hoe groter, hoe onkwetsbaarder). En vandaar de pogingen om via begrippen als `duurzaamheid' ook nieuwe bewegingen als Greenpeace en Milieudefensie bij het overlegmodel te betrekken.

Maar zelfs als de ondernemers een greep naar de macht aan het doen zijn, dan nog is Van der Zwans remedie - een beurskrach die ondernemers en consumenten weer tot rede moet brengen - voor de sociaal-democratie de verkeerde. De verwachting dat een financieel Armageddon links aan de macht houdt of brengt is, althans in Nederland, niet op enige historische parallel gebaseerd. Zowel in de jaren dertig als in de jaren tachtig werden in crisistijd juist rechtse politici als puinruimers gekozen.

Waar alle auteurs, inclusief Van der Zwan, omheen draaien is de kern van het kapitalisme: de grote onderneming. Waarom is de sociaal-democratie, inclusief de vakbeweging, niet in staat gebleken om zich in Nederland in te graven in de machtsstructuren van de onderneming?

De middelen daartoe zijn er sinds de jaren zeventig, maar ze zijn nooit echt gebruikt. Van der Zwan constateert terecht dat bestudering van de rol van individuele topmanagers weinig oplevert, omdat hun invloed gebaseerd is op groepsmacht. De topmanagers en de commissarissen die hen moeten controleren - maar ook uit hun kring worden gerecruteerd - vormen een gesloten systeem.

Maar is dat een vaststaand feit? Ondernemingsraden en vakbeweging beschikken over drie noodzakelijke instrumenten: voordrachtsrecht, disciplinering en financiële macht. Ondernemingsraden kunnen kandidaten voor commissarisposten voordragen, maar doen het zelden, zodat de meeste raden van commissarissen niet meer dan één, hooguit twee vertegenwoordigers hebben. Dat zet weinig zoden aan de dijk. Ondernemingsraden kunnen ook bij de rechter bezwaar maken tegen commissarissen, wat eveneens nauwelijks gebeurt. Ook de vakbeweging kan falende managers voor de Ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof dagen, maar doet het zelden of nooit. De financiële macht die vakbonden op de achtergrond in het bedrijfsleven kunnen uitoefenen via hun bestuursfuncties bij de pensioenfondsen wordt eveneens onbenut gelaten. Per saldo heeft de sociaal-democratie kennelijk liever loonstrijd dan machtsstrijd.

Frans Becker, Wim van Hennekeler en Bart Tromp (red.): Hedendaags kapitalisme. Het twintigste jaarboek van het democratisch socialisme, Arbeiderspers, 257 blz. ƒ37,50

    • Menno Tamminga