Opgewekt onbeholpen

Iedereen heeft vast ooit gedacht dat de Grote Beer zo geen echte beer, dan toch minstens een beervormig sterrenbeeld was. Dat steelpannetje is een tikje teleurstellend als je net `Grote Beer' hebt gehoord. In het prentenboek De Grote Beer van Carl Norac en Kitty Crowther is de grote Beer wel degelijk een Grote Beer. Een Hele Grote Beer zelfs. Het boek begint met de nacht dat die enorme beer zich van de hemel losrukt en naar de aarde duikt. `Meteen vallen er duizenden sterren om hem te zoeken.' En dat is nog maar het begin. Alles raakt ontregeld door die beer, zelfs de aarde draait niet meer. Maar de beer geniet, hij vangt zalmen, hij babbelt met walvissen en hij dwaalt gelukzalig door de leegte van de woestijn.

De mensen willen intussen erg graag dat hij teruggaat. Zodat alles weer normaal kan worden. Hun vergeefse pogingen zijn paginagroot te zien. Zo is er bijvoorbeeld een violist, die een hemelse melodie zal spelen om de beer weer terug naar de hemel te laten verlangen. Op de pagina van die poging zien we de violist, die op de vorige pagina nog het stralende middelpunt was van een bewonderende menigte, zenuwachtig opkijken naar de enorme, verbaasd ogende beer. Die is, zo meldt de tekst, `gewend aan de eeuwige stilte van de oneindige ruimte. Muziek zegt hem niets'.

De tekeningen van Kitty Crowther spelen de hoofdrol in dit boek, en ze zijn een vreugde om naar te kijken. Niet omdat ze zo mooi zijn afgewerkt, want dat zijn ze niet. Ze zijn juist raar, kinderlijk, slordig bijna. De beer heeft piekige strepen als haren, de zalmen zien eruit als rode pinguïns, alles staat schots en scheef, aan perspectief doet Crowther niet. Waar ze wel aan doet, is aan plezier. Elke pagina heeft in de buitenbenedenhoek nog een extra tekeningetje, en de grote tekeningen zelf zijn ook van een onbekommerde vrolijkheid. Als van iemand die niet kan zingen maar het toch heel opgewekt doet. Al zou het raar zijn om deze schijnbare onbeholpenheid voor echt te houden.

Een heel andere tekenares is Patsy Backx. Bij haar zijn tekeningen ook nooit helemaal af, maar ze zijn wel veel preciezer, en vooral veel ronder en netter dan die van Crowther. In haar tekeningen zit veel beweging, ze is ook erg goed in krioelen, al heeft ze dat talent in haar nieuwste prentenboek Fientje en meneer Fernandez niet zo nodig. Daarin zijn vooral Fientje en meneer Fernandez te zien. En de step van Fientje. En de boodschappen van meneer Fernandez. Het verhaal wordt in metrisch goedlopende rijpmjes verteld, maar Backx is helaas geen Annie Schmidt of Willem Wilmink. De rijmpjes zijn aan de suffe kant, met nogal wat stoplappen:

Hij heeft ze allemaal opgeslokt.

`t Was akelig om te zien.

Het was beslist een nare dag

voor onze kleine Fien.

Wat aardig was in een schriftje of een boekje, zoals werk van Backx nogal eens is uitgegeven, wordt, nu het is opgeblazen tot een heus prentenboek, regelrecht mager. Maar die tekeningetjes blijven opwekkend.

Carl Norac en Kitty Crowther: De Grote Beer. Querido, ƒ27,95

Patsy Backx: Fientje en meneer Fernandez. Gottmer, 32 blz. ƒ23,90

    • Marjoleine de Vos