Op weg naar een brave Nieuwe Wereld

Vaandelzwaaien, spinazie eten en stokbrood bakken boven een kampvuur - dat waren nog maar een paar van de kerngezonde middelen die de Arbeiders Jeugd Centrale in de jaren twintig en dertig inzette om het aanbreken van een Nieuwe Tijd te bespoedigen. Een nieuwe studie brengt de sociaal-democratische jeugdbeweging uitputtend in beeld.

`Wij zijn de jonge garde van het Pró-le-tári-áát', klonk het verleden week vrijdag uit de kelen van zo'n vijftig middelbare of oudere ex-leden van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). En even enthousiast: `Kom mee naar buiten alle-máál, dan horen wij de wiele-wáál'. Het leek een tafereel uit ver vervlogen tijden op de Paasheuvel, het legendarische kampeerterrein van de AJC op de Veluwe. Sinds 1923 kwam de vanuit SDAP en NVV opgerichte Arbeiders Jeugd Centrale daar jaarlijks bijeen - slechts onderbroken door de oorlog - om al zingend en volksdansend, tokkelend op de mandolien en blazend op de blokfluit te ervaren hoe gelukkig de mens in het socialisme zou zijn.

De locatie van de vrijdagse playback show, afgesloten met een alcoholvrije receptie, was de wat kille kantine van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. De bewaarbunker van tientallen kilometers linkse archivalia én de uitgever van Een wereld licht en vrij. Een omvangrijke studie op glanspapier, zeer rijk geïllustreerd, ook in kleur, waarin ex spel- en zangbegeleider Jan Meilof (1923) het `culturele werk' van de AJC uitputtend in kaart brengt.

De stapel boeken over de AJC is daarmee nog hoger geworden. Zo verscheen tien jaar geleden Onze jeugd behoort de morgen... door Geertje Marianne Naarden. In schrijnende vraaggesprekken onderzocht zij waarom van het grote aantal joodse AJC'ers er meer dan driehonderdvijftig de oorlog niet hadden overleefd. Een bolwerk dat hechter en meer solidair was dan de AJC bestond toch niet? In 1985 bezorgde Jan Meilof samen met enkele anderen De AJC... dat waren wij, een grillig mozaïek van weemoedige terugblikken. In 1982 zag een meer wetenschappelijke studie het licht, De Arbeiders Jeugd Centrale AJC, van de hoogleraar Frits de Jong Edz. en anderen. Opkomst, bloei en afsterving van de AJC worden er bezongen als een geslaagde emancipatie. Een geleidelijke `ingroei' van de voorhoede van de arbeidersjeugd in een samenleving die mede dankzij de inzet van talrijke AJC'ers - ook na de AJC - zijn onverschillige, a-sociale trekjes is kwijtgeraakt. Acht jaar eerder had André van der Louw in Rood als je hart ongeveer hetzelfde liedje gezongen, zij het met iets meer pijn. Op het appèl van verleden week vrijdag ontbrak hij dan ook niet.

Gemeenschappelijk aan al deze studies is het parti pris waarmee ze geschreven zijn. Alle auteurs namen in meer of mindere mate actief deel aan het AJC-leven en bewaarden er warme herinneringen aan. Bovendien werden verschillende werken uitgegeven in samenwerking met de `Stichting Onderzoek AJC'. Ferme kritiek zal men in al deze werken dan ook niet aantreffen. Wel apologieën die benadrukken dat het interne zendingswerk van de AJC vanaf de jaren dertig uitgroeide tot een kerntaak van de Nederlandse sociaal-democratie. Staatssecretaris Karin Adelmund is in al haar bevlogenheid de laatste in een lange rij socialisische bewindslieden op Onderwijs.

Bommetje

Ger Harmsen, vóór de oorlog lid van de groene NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) en daarna tot 1958 van de scharlaken CPN, onderzocht de AJC wél als buitenstaander. In 1961 resulteerde dat in het omvangrijke Blauwe en rode jeugd waarop hij cum laude promoveerde bij de historicus Jacques Presser. Het `blauw' uit de titel stond voor al die organisaties die in de eerste decennia van deze eeuw ten strijde waren getrokken tegen alcohol en andere vileine verleiders van de kapitalistische productie- en consumptiemaatschappij. `Rode' jeugd was de verzamelnaam voor de vele antimiltaristische, socialistische, communistische en anarchistische organisaties die tussen de wereldoorlogen meenden het kapitalisme zélf te moeten aanvallen. Met dappere leuzen, wilde blaadjes en af en toe een echt bommetje.

De AJC, kort na de Eerste Wereldoorlog opgericht voor aspirant sociaal-democraten tot achttien jaar, stak qua omvang ver boven dit gekrioel uit. Aanvankelijk was dat geen verdienste omdat jonge leden van vakorganisaties die waren aangesloten bij het NVV automatisch óók lid werden van de AJC. Maar ook na het doorsnijden van deze navelstreng, in 1926, bleef de AJC in cijfers de sterkste: bijna tienduizend leden in 1932, daarna teruglopend tot een kleine zesduizend in 1940. Na de oorlog volgde nog een kleine opflakkering, daarna zette het verval in.

Ondanks deze numerieke suprematie wijdde Harmsen aan de AJC evenveel regels als aan de mini-organisaties aan haar linkerzijde. In politieke zin had de jonge garde van de sociaal-democratie namelijk bitter weinig voorgesteld. Zij had haar agenda altijd laten opstellen door oudere functionarissen van SDAP en NVV, die statutair het bestuur van de AJC stevig in handen hielden. Het straatrumoer dat in de jaren twintig en dertig opklonk rond kwesties die óók veel AJC'ers beroerden - zoals het doodvonnis voor de Italiaans/Amerikaanse anarchisten Sacco en Vanzetti - werd maar zelden veroorzaakt door sociaal-democratische jongeren.

Ook van het interne clubleven van de AJC was Harmsen destijds niet onder de indruk. Hij kon zich geheel vinden in de kritiek die SDAP-ideoloog en socioloog W.A. Bonger al in 1925 naar voren bracht: `Wie denkt dat gezellig op de hei kampeeren, daar vroolijk dansen en met mooie vlaggen zwaaien een nieuwe kultuur is, moet eerst nog eens zich op de hoogte stellen wat een waarachtige nieuwe beschaving in de wereldgeschiedenis was.' Natuurlijk, er werd in de AJC veel gelezen en veel naar kunst gekeken. Maar dat betrof bijna uitsluitend het veilige realisme zoals dat sinds 1929 door de Arbeiderspers ten behoeve van de rode familie gedistribueerd werd: Herman Heijermans, A.M. de Jong. Josef K? - Nooit van gehoord. Wel overal reproducties van Van Goghs romantische vissersbootjes, maar nergens zijn onheilspellende `Kraaien boven het korenveld'.

Bovendien was het geritualiseerde AJC-leven grotendeels afgekeken van de succesrijke Duitse zusterorganisatie Sozialistische Arbeiter Jugend (SAJ). Met haar verering van de ongerepte natuur en haar nostalgie naar agrarische volksgemeenschappen probeerde die een Germaanse variant van Marx' heilstaat te realiseren. In 1926 liet Koos Vorrink, tot 1934 geliefd en gevreesd leider van de AJC, zich in Hamburg een sober manchesterpak aanmeten, gemaakt van geheel natuurlijke stoffen. In 1928 schreef diezelfde Vorrink een uniform voor aan de Rode Valken binnen de AJC (12-16 jaar), die zich dienden te organiseren in hiërarchisch geordende horden, troepen en stammen. Vijf jaar later moesten de blauwe hemden alweer uit en de rode dassen af, als gevolg van het Nederlandse uniformverbod, een stap van de regering die in eerste instantie was bedoeld om zwarte hemden van de straat te houden. Een jaar later, in 1934, éen dag na zijn aantreden als SDAP-voorzitter, hing Vorrink zelf zijn AJC-manchester in de kast, trok een donker pak aan, zette een hoed op en spoedde zich naar het terras van café Schiller aan het Rembrandtplein. De jeugd lag achter hem, hij behoorde nu tot de burgermaatschappij.

Sekte

Die laatste anekdote is te vinden in Een wereld licht en vrij, Meilofs recente bijdrage aan de geschiedschrijving over de AJC. Ze staat er naast zijn mea culpa dat de AJC inderdaad een beetje een `sekte' was met elitaire trekjes. Dat AJC'ers zich een beetje `uitverkoren' voelden, met een zelfbewustzijn dat kon omslaan in `hooghartigheid'. `En we waren af en toe behoorlijk bekrompen.'

Het zijn opmerkingen die tekenend zijn voor de mild-kritische toon die Meilof soms weet te vinden, hoewel ook zijn wortels op de Paasheuvel liggen en ook zijn lijvige boek werd geschreven - in tien jaar tijd - in opdracht van de Stichting Onderzoek AJC. Het feit dat hij pas na de oorlog als zang- en spelleider en redacteur van het bondsblad Het Jonge Volk in de AJC actief werd, maakt deze lichte distantie wellicht mogelijk. In zijn jeugd in Vlaardingen was de AJC een onbereikbaar paradijs gebleven: `We maakten geen fietstochten, zwierven niet met de rugzak, kampeerden niet langs het stille buitenspoor, kwamen niet op het Kruininger Gors, bakten geen stokbrood boven een kampvuurtje, trokken niet langs jeugdherbergen en bestudeerden niet de tjiftjaf of het moerasviooltje. (...) Als wij `naar buiten' gingen, trokken we kinderlijk gelukkig naar de Waalhaven. Later kwamen de zon en de vrijheid van de AJC. Het land aan de overzijde.'

Dat de cultuur en de rituelen van de AJC slechts Duitse import waren, wil er bij Meilof echter niet in. Bijna eenderde van zijn studie trekt hij uit om met grote gebaren het hoogst verwarrende discours te schetsen dat omstreeks 1900 als een mistdeken boven goedbedoelend intellectueel Nederland hing. Hoe, zo vroeg men zich wanhopig af, stuiten we de opmars van de moderne techniek die eeuwenoude sociale verbanden aan stukken rijt? En die een verfoeilijke massacultuur in de plaats stelt van ambachtelijk vakmanschap, verbondenheid met de natuur en kunstzinnig genot? Hoe creëren we een nieuwe geborgenheid voor de mens die door Darwin, Freud, Nietzsche en Dostojewski te kijk is gezet als een bangelijk dier, gedreven door driften en demonen?

Het marxistisch socialisme leek voor dit alles een aantrekkelijk alternatief te bieden, op termijn. Maar veel weldenkende burgers die het zich veroorloven konden, wilden de beloften van het socialisme - gemeenschapszin én volledige individuele ontplooing - nog bij hun leven inlossen. In een hiernamaals geloofde men immers niet meer. Dus trok Frederik van Eeden naar het Gooi om er op Walden zijn commune te stichten, en deed Nescio `heel erg' zijn best te geloven dat er `grote dingen' tot stand gebracht konden worden. Zuiverheid werd het devies, om te beginnen in het eigen leven. Vlees, alcohol en snoepgoed waren voortaan taboe. Manchester pakken dragen, spinazie eten en houthakken werd het grote gebod.

Kampvuren

Jonge onderwijzers in spe, voor wie de kweekschool vaak een eerste stap was op de sociale ladder, raakten eveneens bedwelmd door dit elixer van materialistische wereldbeschouwing en esoterische bevlogenheid. Toen daar nog eens de ervaring overheenkwam van de weerzinwekkende Grote Oorlog die honderdduizenden jongemannen voorgoed de modder injoeg, wisten zij wat hun taak was in dit leven. Opvoeding van jongens en meisjes tot gezonde gemeenschapsmensen, als kiem voor een nieuwe en betere wereld. `Leren een goed mens te zijn.' Of zoals Eduard Bernstein, de grote revisor van het marxisme, het in 1899 formuleerde: `Wij kunnen van een klasse, waarvan de meerderheid gebrekkig gehuisvest is, slecht onderwijs heeft genoten en een onzeker en onvoldoende broodwinning heeft, niet dat hoge intellectuele en morele peil verdragen, dat de voorwaarde is voor de vestiging en het voortbestaan van een socialistische maatschappij.'

Koos Vorrink was één van die bevlogen onderwijzers die in de eerste decennia van deze eeuw tot de ontdekking kwam dat de jeugd de toekomst heeft. En hij was zwaar geïmponeerd toen hij als aankomend voorzitter van de AJC bij de Duitse zusterorganisatie een breed scala aan culturele activiteiten zag bloeien: liederen, dansen, lekenspelen, kampvuren, natuurstudie. Langs die weg moest ook de Nederlandse arbeidersjeugd tot socialistische gezindheid opgevoed worden, terwijl partij en vakbeweging dapper voortstreden om de verovering van de politieke en economische macht. De vorm van het culturele werk van de AJC was dus inderdaad uit Duitsland geïmporteerd. Maar de geest ervan - benadrukt Meilof omstandig - was al rond 1900 uit de Hollande klei omhoog gewassen.

Meilof heeft hiermee zijn eerste punt gemaakt, Harmsen staat 1-0 achter. Tegenover diens tweede kritiekpunt - dat de AJC-cultuur bitter weinig voorstelde - brengt Meilof beduidend minder in het geweer. Ook al trekt hij er de overige vierhonderd pagina's van Een wereld licht en vrij voor uit. Alle terreinen waarop de AJC zich dansend, zingend, spelend en wandelend bewoog, neemt hij in extenso met ons door. Daarbij niet vergetend het AJC-repertoire te spiegelen aan wat er op hetzelfde terrein in de buitenwereld gepraktiseerd werd - door de eeuwen heen. De lezer die erin slaagt onder dit bombardement van feiten, namen, titels, data, adressen en huisnummers overeind te blijven, kan aan het eind slechts één conclusie trekken: voor haar leden betekende de AJC-cultuur bijna alles, voor de Nederlandse cultuur bijna niets. Want wat er van de tophits van de AJC-cultuur mee kan naar de eenentwintigste eeuw, zou ook zonder de AJC voortgeleefd hebben, omdat het uitingen waren van allerindividueelste expressie in plaats van goedbedoelde erediensten aan een idee: Theo Thijssens Kees de Jongen, Van Eedens Kleine Johannes.

Maarten Koning zou op Het Bureau op basis van al dit materiaal wellicht nog een interessante spreidingskaart getekend hebben. Meilof zelf leest ons slechts geduldig zijn kaartenbak voor. In een vlotte, om niet te zeggen gezellige stijl - `maar dit terzijde' - gelardeerd met talloze wetenswaardigheden en verluchtigd met fraaie lichtbeelden, pardon, illustraties. Maar wat wil je ook, als één van de 175 oud-AJC'ers die bevraagd werden vijfhonderd titels van liedjes uit haar geheugen opdiept, een andere driehonderd beginregels op papier zet en een derde een cassettebandje instuurt met tachtig ingezongen teksten. Dan heb je materiaal in handen dat in tien, twintig jaar met het verscheiden van de laatsten der AJC'ers verloren dreigt te gaan. Voorgoed, net als Atlantis. De ouderen van nu piepen nu eenmaal anders dan de jongeren van toen. Met als enige uitzondering wellicht de ruim twaalfhonderd (!) intekenaren op Een wereld licht en vrij.

SDAP-ideoloog Bonger voorzag in 1925 al welke problemen het grootgroeien van de socialistische kasplantjes van de AJC met zich mee zou brengen: `Maar eens komt het oogenblik waarop toch de jeugd definitief ten einde is (...). Dan ontstaat de pijnlijke botsing tusschen phantasie en werkelijkheid. Het gevaar bestaat dan, dat de werkelijkheid niet aanvaard wordt zooals zij is (...). De desillusie ontstaat, waarboven zich alleen de sterkeren kunnen verheffen. De anderen loopen gevaar het ongelukkige type van menschen te worden, dat nimmer zijn jeugd kwijtraakt.'

Eens jonge garde, altijd jonge garde.

Jan Meilof: Een wereld licht en vrij. Het culturele werk van de AJC 1918-1959. Stichting Beheer IISG, 648 blz. ƒ69,90 (geb.)

    • Ed' Korlaar