Onstuimig in de aanval

Bij de begrafenis van Karl Marx op 17 maart 1883 in een uithoek van het kerkhof op Highgate, een buitenwijk van Londen, waren elf personen aanwezig. `Zijn naam zal door de eeuwen voortleven en zo ook zijn werk', voorspelde Friedrich Engels de kleine schare. Want `zoals Darwin de wet van de ontwikkeling der organische natuur heeft ontdekt, zo heeft Marx de ontwikkelingswet van de menselijke geschiedenis ontdekt'.

Marx en Darwin gelden als de twee meest revolutionaire en invloedrijke denkers van de negentiende eeuw. Ze woonden een groot deel van hun leven maar dertig kilometer van elkaar af en hadden veel gemeenschappelijke kennissen. Marx bewonderde Darwin en was razend trots toen de bioloog, aan wie hij een presentexemplaar van Das Kapital had gestuurd, hem in 1873 per briefje bedankte voor `dit grote werk' dat ongetwijfeld zou bijdragen aan `het geluk van de Mensheid'.

Door de jaren heen is Darwins gelukwens aan Marx geciteerd om de verwantschap tussen de twee baanbrekers te onderstrepen. Maar Francis Wheen heeft tijdens het onderzoek voor zijn Marx-biografie het exemplaar van Das Kapital in de door Darwin nagelaten bibliotheek opengeslagen. Helaas, alleen de eerste honderd van de ruim 800 pagina's waren losgesneden, de rest had Darwin niet eens ingezien, laat staan gelezen.

Het is een voorbeeldje van de aardse wijze waarop Wheen de mythologische figuur van Marx weer tussen de mensen plaatst. Hoe was, ander voorbeeld, Marx als schaker? De enige van hem overgeleverde partij, in 1867 gespeeld tijdens een bezoek aan Duitsland, waar hij op de drukproeven van Das Kapital wachtte, is door Wheen afgedrukt. Desgevraagd zegt grootmeester Hans Ree daarover dat Marx, die de partij met wit won dankzij een stukoffer, goed op de hoogte moet zijn geweest van de openingstheorieën uit die tijd. `Dat was toen ongewoner dan nu. Hij speelt aardig, hij doet het met Schwung. Marx valt onstuimig aan, dat hoort bij hem.'

Goed zo, aardige speler, onstuimige aanvaller: we leren Karl ietsje beter kennen. En dat maakt de verdienste uit van het boek van Francis Wheen, een zeer leesbare, biografie van een buitengewone persoonlijkheid. Bijna gewoon, want een sketch van Monty Python of de begrafenis van prinses Diana en andere ergerlijke anachronismen horen in Marx' levensverhaal niet thuis. Niettemin is dit waarschijnlijk het beste boek over Marx sinds het monumentale werk van de orthodoxe marxist Franz Mehring uit 1918 (door Wheen niet eens genoemd).

`De geschiedenis van de twintigste eeuw is Marx' nalatenschap.' Met deze apodictische woorden verdedigt de biograaf zich tegen `het medelijden en ongeloof' van vrienden die zich afvroegen waarom iemand zou willen schrijven of zelfs maar lezen over een zo uit de mode geraakte, gediscrediteerde en irrelevant geworden profeet, wiens voorspellingen nu eenmaal niet zijn uitgekomen. O nee? Een eeuw voordat Bill Gates werd geboren, schreef Marx al over de mondialisering van de economie, riposteert de biograaf. Marx is wel degelijk relevant voor de eenentwintigste eeuw: `De wereldwijde dominantie van McDonald's en MTV zouden hem niet in het minst hebben verbaasd.' Tegenwoordig zijn het niet de verworpenen der aarde, maar is het The Financial Times die teruggrijpt op Marx' gedachtengoed. The New Yorker tipte hem in 1997 als `de eerstvolgende grote denker' en NRC Handelsblad proclameerde vorig jaar in een speciale bijlage ter gelegenheid van 150 jaar Communistisch Manifest `De Wederopstanding van Karl Marx'.

Aartsvader

Meer dan aan een wederopstanding is er, na anderhalve eeuw van canonisering en verdoeming, behoefte aan een wedervermenselijking van het Marxbeeld. Misschien was er wel de val van de Berlijnse Muur voor nodig om de aartsvader van het socialisme te bevrijden van zijn vervolgers en aanbidders. In de retoriek van de Koude Oorlog is Marx een wegbereider van de Goelag genoemd, een duivel, of op zijn best een door demonen bezeten geleerde. Voor marxisten-leninisten en andere `Marxpapen' was hij een heilige en een granieten monument, even monsterachtig als de met roebels betaalde reuzenkop die zijn graf op Highgate ontsiert.

`Zijn ideeën', schrijft Wheen, `hebben de wetenschap getransformeerd op het terrein van de economie, geschiedenis, geografie, sociologie en literatuur. Sinds Jezus Christus is er geen obscure pauper geweest die zo'n wereldwijde devotie heeft losgemaakt. Het is tijd hem te ontdoen van de mythologie en de mens Karl Marx opnieuw te ontdekken.' Een ambitieuze en hachelijke onderneming. De immense correspondentie die Marx voerde (tien dikke delen in de Marx-Engels-Werke) bevatten een vloed aan privé-details, roddels, anekdotes. Alles is bekend over huiselijke beslommeringen, woede-aanvallen, steenpuisten, duels, kroegentochten, geldnood, intriges, ziektes, het huwelijk en de dochters van Karl Marx. Maar de persoonlijkheid van Marx komt uit deze intimiteiten maar voor een klein deeltje te voorschijn.

Wheens biografie is een poging de wederwaardigheden in het turbulente leven van zijn hoofdpersoon te verbinden met de ontwikkeling van diens denkbeelden. Er is weinig in de jeugd van Marx dat hem leek voor te bestemmen tot de rol van verlosser van het proletariaat, of het moest zijn verering voor Prometheus zijn. Hij werd in 1818 in Trier geboren in een welgesteld milieu van tot het katholicisme bekeerde joodse burgers. Evenals zijn vader, een advocaat en plaatselijke notabel, was zijn moeder, verwant met de Nederlandse familie Philips, afkomstig uit een geslacht van rabbijnen. De jonge Marx studeerde rechten aan de prestigieuze universiteiten van Bonn en Berlijn, vatte een passie op voor Shakespeare en Hegel, en trouwde boven zijn stand met de baronesse Jenny von Westphalen.

In zijn studententijd was Pruisen een absolute monarchie, overeind gehouden met geheime politie en censuur. Samen met studievrienden raakte Marx betrokken bij het liberaal-democratische verzet tegen het Pruisische absolutisme. Als hoofdredacteur van de Rheinische Zeitung verrichtte hij één van de eerste staaltjes van onderzoeksjournalistiek (naar de feodale vervolging wegens houtdiefstal van boeren in het Rijnland). De krant werd verboden nadat tsaar Nicolaas I bij de Pruisische koning had aangedrongen op scherpe maatregelen tegen de al te brutale pers. Op 24-jarige leeftijd was Marx' pen al scherp genoeg om gekroonde hoofden in Europa schrik aan te jagen.

Jenny trouwde een werkloze, straatarme en al beruchte jood, die haar bruidschat er in een week doorheen joeg. Het meegekregen familiezilver bevond zich vaker bij de lommerd dan in de keukenkast. Geldnood is een constant thema. Maar ook Marx' pogingen om als emigrant,aanvankelijk in Parijs en Brussel, zijn stand en status op te houden. `De traditie van alle dode generaties drukt als een berg op de geest van de levenden', schreef de man die later in Londen, omringd door politiespionnen en schuldeisers, de schutkleur van een Victoriaanse gentleman aannam.

Wheen vat de ontwikkeling van Marx tot revolutionair en theoreticus samen als een afrekening met achtereenvolgens God, Hegel en Feuerbach. Marx' uitstapje in de journalistiek had hem ervan overtuigd dat radicale filosofen van hun verheven pilaar moesten afdalen naar het aardse hier en nu. `De filosofen hebben de wereld slechts geïnterpreteerd op verschillende manieren, het gaat erom haar te veranderen.'

Knokpartijen

Van het kapitalisme wist Marx toen nog niets. Filosofische knokpartijtjes hadden zijn aandacht zo in beslag genomen, dat de toestand in Engeland, de eerste industriële natie en de geboorteplaats van het moderne proletariaat, hem was ontgaan. Eenmaal in Londen - na de revolutie van 1848 was het continent hun te heet onder de voeten - gingen Marx en Engels hun eigen praktische theorie of theoretische praktijk ontwerpen, beter bekend als het historisch materialisme.

Engels hield het chaotische gezin van Marx financieel enigszins draaiende. Hij was een ijverige textielondernemer die naast zijn werkkring in het familiebedrijf kans zag een formidabele stroom boeken, brieven en artikelen te produceren. Tegelijk genoot Engels het leven van de grote bourgeoisie, met een stal vol paarden, een kelder vol wijn en een bed waar altijd wel een maitresse in lag. Hij was niet jaloers op Marx, want: `hoe kan iemand jaloers zijn op een genie?'

Wheen beschrijft Marx als een figuur vol tegenstellingen. Een Pruisische balling die wanhopig zijn stand van grote meneer probeerde op te houden. Een gulle en gezellige gastheer die met bijna al zijn vrienden ruzie kreeg. Een toegewijde pater familias die een kind bij de huishoudster verwekte. Een diepzinnige denker en ernstige filosoof die van wijn, sigaren en studentikoze grollen hield. Een sarcastische intellectuele bullebak en vechtersbaas, die een speelse, spinnende poes verborg achter het uiterlijk van een leeuw met een machtige kop manen. Een woedende agitor en revolutionair politicus, die een groot deel van zijn leven sleet in de gewijde stilte van de British Library.

In een draaikolk van huiselijke ellende en persoonlijk leed (vier kinderen Marx stierven tijdens zijn leven) naderde zijn magnum opus, Das Kapital, tegen 1865 zijn voltooiing. Althans, het was een manuscript van 12.000 pagina's, een barokke massa krabbels, inktvlekken en doorhalingen. De opbrengst van Das Kapital, wist hij, zou niet genoeg zijn om de sigaren te betalen die hij onder het schrijven had opgestookt. Maar hij had gezworen dat de bourgeoisie reden zou hebben om de steenpuisten te gedenken die hem zoveel pijn deden en in zo'n rothumeur hielden.

Volgens Wheen heeft Das Kapital voornamelijk literaire betekenis. Hij ziet het als een Victoriaans melodrama, een gigantische griezelroman of een satire van `de grootste ironicus sinds Jonathan Swift'. Een originele visie, maar wel enigszins in tegenspraak met de waardering van de biograaf voor de Sisyphusarbeid van Marx' historisch en economisch onderzoek. Anderzijds zegt Wheen dan ook, dat Marx had niets van de dromer over zich had. Hij beschreef met de grootst mogelijke nauwgezetheid het kapitalisme van zijn tijd. Alleen: `wat hij aanzag voor de stuiptrekkingen van het kapitalisme, waren niets anders dan de geboorteweeën ervan.'

Francis Wheen: Karl Marx. Fourth Estate. 421 blz. ƒ78,–

    • Gijs Schreuders