Leeftijdsgrenzen

DE LEEFTIJD VAN 65 jaar is een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond voor ontslag. Dit verklaarde de Hoge Raad een jaar of vijf geleden in het geval van een ontslagen werkster, die nota bene al boven de 65 was toen ze werd aangenomen. De 65-jarengrens is nog steeds in overeenstemming met een in brede lagen van de bevolking aanvaarde rechtsopvatting, oordeelde het rechtscollege. Kwantitatief klopt deze analyse aardig, getuige het grote aantal regelingen met een dergelijke leeftijdsbepaling.

De vaste leeftijdsgrens staat echter onder toenemende druk. Het Verwey-Jonker Instituut noemt haar in een deze week verschenen rapport als beoordelingcriterium achterhaald. Bij nadere bestudering blijkt dit helemaal niet zo objectief te zijn. Het arbeidsmarktbeleid was niet in dit onderzoek betrokken, maar ook daar rommelt het. Eerder deze maand waarschuwde minister Jorritsma (Economische Zaken) bij de presentatie van de zogeheten Concurrentietoets 2000 dat de rem van het werk door ouderen af moet. Werkgevers willen de sollicitatieplicht van uitkeringstrekkers boven de 57 jaar laten herleven.

DE DRUK OP de leeftijdsgrenzen is echter meer dan een kwestie van krapte op de arbeidsmarkt, die ook weer over kan gaan. Er is sprake van fundamentele verschuivingen: in de levensverwachting, in de kwaliteit van werk en in de relatie van mensen tot hun werk. Een vaste grens heeft volgens de Hoge Raad het grote voordeel dat zij zonder aanzien des persoons werkt. De individuele keuzevrijheid is een betere regeling waard. Dat geldt voor degeen die eerder wil stoppen en ook voor degeen die langer wil doorgaan. Natuurlijk zijn er mensen die last hebben te herkennen wanneer de tijd is aangebroken om afscheid te nemen. Maar daarin valt ook te voorzien door krachtige afspraken over periodieke evaluatie van verbintenissen.

Minister Jorritsma riep de sociale partners begin deze maand op zo snel mogelijk de VUT-regeling om te zetten in individuele, flexibele pensioenregelingen. Er is echter meer nodig. Aanpassingen in het werk zijn vereist, al was het alleen op het punt van (bij)scholing. Het rapport van het Verwey-Jonker Instituut laat bovendien zien dat met name in de sfeer van verzekeringen en andere randvoorwaarden de nodige belemmeringen vallen op te ruimen.

Onder het vorige kabinet is al gesuggereerd dat ook hier een mooie opdracht ligt voor de sociale partners. Maar juist gezien het grote aantal regelingen met een leeftijdsbepaling – de diagnose is afkomstig van de vorige minister van Sociale Zaken Melkert – kan de wetgever er niet omheen de nieuwe rechtsopvatting actief vorm te geven.