Hoe Hollands is gehoorzaamheid

Annie M.G. Schmidt is een nationale heldin, haar werk wordt vaak beschouwd als `typisch Hollands'. Maar wat is dat? Een dissertatie probeert een antwoord te geven op de vragen rond haar werk.

Toen ik met mijn familie in Nederland aankwam, viel er een hoop te leren. Nu zijn kinderen over het algemeen goed in het stellen van existentiële vragen, maar als pas geëmigreerd kind ging het ook om levenskwesties als `papa, wat betekent kroket?' en `mama, wie zijn Jip en Janneke?'. Mijn moeder zei: `Jip en Janneke? Dat zullen de poezen van de buren wel zijn.'

Dat waren ze niet. Het waren twee legendarische kleuters, in 1952 bedacht door Annie M.G. Schmidt en getekend door Fiep Westendorp. Hun belevenissen Jip en Janneke veroverden de wereld en werden onder meer vertaald in het Turks, Russisch en Japans. Uitgevers in Engeland en de Verenigde Staten waren aanvankelijk terughoudend, omdat ze dachten dat Jip en Janneke twee negertjes waren. Pas in de jaren zeventig ontstond een deuk in het succes. Feministen openden de aanval op het ludieke tweetal door de traditionele rolverdeling in Jip en Janneke te kritiseren. Jip was altijd de initiatiefrijke piloot en Janneke de volgzame passagier. Jetta van Leeuwen schreef in 1972 dat Jip en Janneke ouderwets waren en verklaarde het duo, in navolging van God en Feyenoord, dood. Schmidt reageerde: `God beware ons voor jouw versie: Janneke die met schrik ontdekt dat ze een gecastreerd jongetje is.'

Annie M.G. Schmidt (1911-1995) is een nationale heldin. Jos Joosten noemde ooit `het niet houden van Schmidt' het laatste Nederlandse taboe. Joke Linders, eerder biografe van de kinderboekenschrijfster An Rutgers van der Loeff, legde zichzelf met haar jongste boek een uitdagende klus op. Hoe het levensverhaal te vertellen van een vrouw die zo'n mythe is? Schmidt zelf gaf geen toestemming om haar archief in te zien. Ook haar zoon gaf Linders, na Schmidts dood, geen toegang tot het archief. Noodgedwongen koos ze een andere richting om meer te weten te komen over het schrijverschap van Annie M.G. Schmidt, haar drijfveren, betekenis en invloed: `Wie een auteur wil leren kennen, zal zich op diens werk moeten richten'. In Linders' proefschrift Doe nooit wat je moeder zegt wordt de ontwikkeling van Schmidts schrijverschap chronologisch gereconstrueerd. Linders verweeft drie belangrijke bronnen: Schmidts werk, recensies daarvan en interviews van anderen met Schmidt.

Spin Sebastiaan

Als uitgangspunt kiest Linders wat volgens haar een paradox is in Schmidts schrijverschap. Het advies dat Schmidt in haar werk meegaf aan de lezers, `doe nooit wat je moeder zegt', is volgens Linders `volledig' in strijd met Schmidts eigen opstelling in het leven. Ze deed namelijk precies wat haar moeder zei: `niet trouwen, hard werken om een carrière op te bouwen en een beroemd schrijfster worden.' Het is niet de enige paradox, schrijft Linders. Schmidts schrijverschap wordt op allerlei niveaus gekenmerkt door ambivalentie. Linders schept in haar inleiding de verwachting dat zij deze ambivalenties in het werk van Schmidt en de reacties erop zal onderzoeken. Niets is, helaas, minder waar. Of het nu gaat om het werk of uitspraken van Schmidt zelf en anderen daarover, Linders laat ze steeds voor zichzelf spreken.

Linders' boek opent sterk met de bespreking van een gedicht van Schmidt over de spin Sebastiaan, die de drang heeft tot `het weven van een web'. Linders ziet het weven van een web als een metafoor voor de lust tot scheppen. Maar van hieruit zet ze `een kleine en verleidelijke stap' naar Schmidts scheppingsdrang. Zo doet Linders dat steeds: ze leest Schmidts gedichten ondubbelzinnig als autobiografietjes. Dat is niet alleen zeer aanvechtbaar, maar ook merkwaardig gezien de stelling die Linders wil onderzoeken, die immers draait om de discrepantie tussen leven en werk van Schmidt. Linders heeft de lezer echter niet te veel willen vervelen met academische besognes, met als gevolg dat methodologische verantwoording in de marge van het voorwoord verdwijnt. Daar wordt vermeld dat onder meer Terug naar de auteur; over de dichter M. Nijhoff (1989) van G.J. Dorleijn, haar tot voorbeeld heeft gediend. `Dat betekent dat niet de mens Schmidt, maar haar literaire persoonlijkheid de protagonist is van de geschiedenis die ik wil vertellen.' In een voetnoot vermeldt ze dat ook W.J. van den Akkers Een dichter schreit niet (1985) en A.L. Sötemanns Over poëtica en poëzie (1985) de richtlijnen voor haar onderzoek leverden, maar ze legt niet uit hoe.

De indruk ontstaat dat Linders vindt dat het werk van Schmidt eenduidig is en weinig uitleg behoeft. Maar uit al het materiaal dat Linders presenteert, kun je opmaken dat ambivalentie inderdaad treffend gekozen is als karakterisering van Schmidts schrijverschap. Ambivalentie spreekt bijvoorbeeld uit het feit dat Schmidt niet wilde kiezen voor één type schrijverschap: ze richtte zich op light verse én op serieuze literatuur. Nadat criticus Adriaan Morriën met haar werk de vloer had aangeveegd - `het zijn geen echte gedichten. Het is huishoudpoëzie'- keerde Schmidt de literatuur met een grote L een tijd lang de rug toe en stortte ze zich vooral op de lichtere genres ter vermaak van een breed publiek: kinderversjes en kinderboeken, televisie, musicals, cabaret en reclameteksten. Haar werk werd gelezen door kinderen (dan heette het `versje') én door volwassenen (`gedicht'). Uiteindelijk kreeg ze de literaire waardering die ze verdiende. Ze werd uitgeroepen tot de oermoeder van de kinderliteratuur en de petemoei van de musical, en gelauwerd met onder meer de Constantijn Huygensprijs.

Gedurende haar leven is Schmidt voor het karretje gespannen van diverse emancipatoire groeperingen of juist door die groepen bekritiseerd. Enerzijds koos ze vaak het perspectief van de ander die zich niet wil aanpassen: het ondeugende kind (Pluk van de Petteflet), het aan de mens gelijkwaardige dier (Minoes), of de opstandige vrouw die het overspel van haar man niet langer pikt (`Het is over'). Een journalist van de Gaykrant ging op zoek naar bewijzen in het werk van Schmidt voor haar affiniteit met de homofilie en vond: `Nooit is er een lied gezongen/ over de verboden kus van Romeo en Julius/ want daar zijn we nog niet aan toe/ taboe taboe' (uit `Sorry dat ik besta'). Anderzijds was Schmidts werk rolbevestigend. In De familie Doorsnee trof dezelfde journalist het personage Fred de winkelbediende aan, een echte stereotiepe gilnicht.

Geraniums

Iedereen heeft zijn Annie M.G. Schmidt. Allochtonen, onder wie schrijver Kader Abdolah, hebben publiekelijk hun dank betuigd aan Jip en Janneke, die hen Nederlands leerden. Linders: `Wie de Nederlandse taal en cultuur wil leren kennen doet er dus verstandig aan op bezoek te gaan bij Jip en Janneke, Het schaap Veronica of De familie Doorsnee.' Precies geteld heb ik het niet, maar minstens tien keer rept ze vervolgens over het `uitgesproken Hollandse karakter' van Schmidts werk. Zo is het gedicht `De poppen aan het dansen' volgens Linders geschreven `met een scherp oog voor de actualiteit en de Nederlandse volksaard' en schaart ze een gedicht over een vrouw die steeds maar twijfelt onder `Holland op zijn smalst'. Wat dat is, spreekt kennelijk voor zichzelf.

Anil Ramdas heeft dat `Hollandse karakter' van Schmidts werk ooit prachtig verwoord. Toen Ramdas nog in Suriname woonde dacht hij altijd dat Hollanders een fatsoenlijk en oprecht volkje waren, die in knusse harmonie achter de geraniums leefden met uitzicht op een aangelegd tuintje. `Dan kom je in Nederland en ontdek je dat de beste geesten het tegendeel voorstaan. Lekker stout zijn. Stampen in een plas'. Schmidt stak in haar werk haar tong uit naar fatsoenrakkers en rebelleerde op speelse wijze tegen gezag en autoriteit. Daarmee legde ze, aldus Ramdas, de kern van de moderne Hollandse volksaard bloot, namelijk een tweeslachtige houding tegenover gehoorzaamheid. Anders dan Linders beweert, toont Ramdas bovendien dat Schmidt hier níet deed `wat haar moeder wilde'. Ze pleegde in het openbaar `oudermoord' door zich kritisch over haar vader en moeder uit te laten.

Naast haar storend a-historische gebruik van termen als `typisch Hollands' of `volksaard' neigt Linders naar nog meer essentialisme door regelmatig de woorden `wezenlijk', `tijdgeest' en `gewoon' op te voeren als begrippen die het succes van het werk van Schmidt zouden verklaren. Gedichten geven volgens haar uitdrukking aan `het wezenlijke verlangen van ieder kind' of geven `een adequaat beeld van de tijdgeest van jaren vijftig'; musicals ademen `het wezen van de black comedy'. Ook blijft haar analyse veelal beperkt tot name-dropping zonder nadere toelichting: `De gedichten zoeken qua vorm aansluiting bij de door Schmidt bewonderde Slauerhoff en Marsman, qua toon sluiten ze eerder aan bij Piet Paaltjens, Kästner of Tucholsky'.

De grote verdienste van Linders' boek is anderzijds dat het een uitgebreid gedocumenteerd, goed geschreven en mooi naslagwerk is geworden. Linders is er op een bewonderenswaardige manier in geslaagd het enorme knipselarchief aan elkaar te rijgen tot een helder verhaal. Ze heeft de toegankelijke stijl van haar onderwerp overgenomen: vlotte en korte zinnen. Van methodologie heeft ze daarentegen niet wakker gelegen, en bezien vanuit de geijkte kaders van het proefschrift-genre is Linders dus op haar beurt `lekker stout'.

Meerduidigheid

Maar omdat ze zich niet aan een persoonlijk of kritisch geluid heeft gewaagd en vooral anderen aan het woord laat, ontbreekt in dit boek uiteindelijk een eigen visie. De lezer snakt ernaar te horen wat Linders er nu toch allemaal zelf van vindt. Wat vindt ze bijvoorbeeld van de verschillende close-readings van Schmidts werk, zoals die zijn gedaan door onder meer Kees Fens en Willem Wilmink? Of van Erica van Rijsewijks `Wiplala, weer, weer, weer' (1994) uit Maatstaf? Linders nam een verwijzing naar dit stuk op in een voetnoot, als illustratie van Schmidts persoonlijke problemen met haar geremde seksualiteit. Het is echter jammer dat Van Rijsewijks stuk naar de marge verdwijnt. Niet alleen omdat het buitengewoon geestig is, maar ook omdat het opnieuw de meerduidigheid van Schmidts werk laat zien. Van Rijsewijk legde Wiplala op de sofa en interpreteerde hem als de personificatie van een fallus in zijn `zuiverste vorm'. Nella Della mag Wiplala, die `zo groot is als een flinke middelvinger' in bad doen, iets waarvan hij helemaal gaat `tinkelen'. Dat scheelt, zo merkt van Rijsewijks op, maar één letter met `pinkelen'.

Terug naar Jip en Janneke. Zodra je voet hebt gezet op Nederlands grondgebied, is er geen ontkomen meer aan. Toen mijn zus en ik het Nederlandse onderwijs gingen volgen, rolde de vraag direct over tafel. De docent, die wist dat een eerste schooldag onwennig moest zijn, vroeg: `Wie weet wie Jip en Janneke zijn?' Glimmend van trots stond mijn zus op. `Dat zijn de poezen van onze buren!' Gejoel in de klas. Succesvolle integratie leek voorgoed een ijdele hoop. Maar na afloop nam de docent ons even apart en schoof ons twee exemplaren toe. `Eén voor jullie, één voor je moeder'. Wij lazen, leerden en stelden al gauw nieuwe vragen. `Mama, wat is een wiplala?'

Joke Linders: Doe nooit wat je moeder zegt. Annie M.G. Schmidt, de geschiedenis van haar schrijverschap. Querido, 490 blz. ƒ85,-

    • Stine Jensen