Het ongelijk van Theu Boermans

Regisseur Theu Boermans van het Amsterdamse gezelschap De Trust had een groots toneelvisioen, dat hij onthulde in de Marga Klompé-lezing 1999 in het Theater Instituut Nederland. Hij zag indrukwekkend rijke `toneelbibliotheken' voor zich met daarin `de vele pogingen tot zingeving, tot bezwering van de dood.' Hij vervolgde: `De teksten bij elkaar zijn de uitdrukking van een nationale identiteit en vormen in hun gebruik het bindmiddel van een samenleving.' Het klinkt aanlokkelijk, maar helaas, die toneelbibliotheken behoren niet aan de Nederlandse cultuur toe; het zijn de bibliotheken in onze buurlanden Duitsland, Engeland en Frankrijk. Zij ontlenen aan het toneel een identiteit, wij niet. Toneel is van belang in hun samenleving en niet in die van ons.

Het begrip `oorlog' speelt in de lezing van Boermans een cruciale rol. Voor Boermans vertegenwoordigt het Duitse theater, en dan vooral het geschreven repertoire, zijn grote droom; de Nederlandstalige toneelschrijfkunst verzinkt daarbij in het niets. Waarom? `Omdat vooral het na-oorlogse Duitsland met zijn rijke toneelbibliotheek, met zijn grote filosofische traditie (...) maar vooral met zijn getroubleerde geschiedenis een thematisch El Dorado blijkt te zijn voor de toneelmakers. Een verloren oorlog. Foute vaders.' En Nederland? `Met een uiterst schamele klassieke toneelbibliotheek, een gewonnen oorlog en elke vader een verzetsheld, hebben de Nederlandse toneelmakers weinig in handen om in deze tijd nog een nationale identiteit, laat staan een nationale ziel, te boetseren, waarin het grote publiek zich kan herkennen.' Kortweg komt het hierop neer: de Duitse toneelliteratuur behoort tot het onverwoestbare repertoire. De verloren oorlogen als de Duitse inspiratiebronnen bij uitstek.

De titel van Boermans' lezing luidt Toneel een `autonome' of een `toegepaste' kunst? In toegepaste toneelkunst vormt de tekst de bron van een voorstelling; zo gebeurt het in onze buurlanden. Bij ontstentenis van Nederlandse toneelstukken moeten theatermakers hun voorstelling loszingen van het woord. Er ontstaat theater dat dichter ligt bij beeldende kunst en performance dan bij de vormgeving van een tekst.

Dat er geen Nederlands toneelrepertoire bestaat is een oude en hardnekkigeklacht en elke nieuwe generatie theatermakers draagt dit vooroordeel verder uit. Dat is kortzichtig, verbijsterend en verontrustend. Met een `gewonnen oorlog en elke vader een verzetsheld' schep je inderdaad geen toneelliteratuur waarin een natie zich herkent. Zelfs als deze observaties juist zouden zijn, en afgezien van de vraag of oorlog voeren noodzakelijk is om een bloeiende toneelschrijfkunst te creëren, bestrijd ik dat de klassieke Nederlandse toneelliteratuur `schamel' zou zijn.

De middeleeuwse toneelliteratuur is rijk. Maskeroen uit 1261 bijvoorbeeld van Jacob van Maerlant, een voortreffelijk weergave van de duivel als instrument van het kwaad; er zijn Mariken van Nieumeghen, Elckerlyc. Dan de zeventiende en achttiende eeuw met Vondel, Hooft, Bredero. We gaan naar Focquenbroch met zijn De min in `t Lazarushuys, Multatuli's Vorstenschool. In het begin van deze eeuw Heijermans. De laatste decennia werden sterke stukken geschreven door Hugo Claus, Willem Jan Otten, Karst Woudstra, Judith Herzberg, Frans Strijards, Gerardjan Rijnders, Lodewijk de Boer, Guus Vleugel, Ton Vorstenbosch, Wanda Reisel en Jeroen van den Berg. Jonge toneelschrijvers als Peer Wittenbols en Bouke Oldenhof zijn dramaschrijvers pur sang. Hun liefde voor het toneel is niet zomaar een flirt; zij denken als toneelschrijvers. Daarin ligt hun kracht. In datzelfde Theater Instituut aan de Amsterdamse Herengracht waar Boermans zijn lezing hield, had hij kunnen ontdekken welk een schat aan toneelteksten er wacht.

Vrijdag van Hugo Claus, Op Hoop van Zegen en Ghetto van Herman Heijermans: die stukken verdienen een vaste plaats in het Nederlandse theater. Hofscènes van Woudstra, Het chemisch huwelijk van Komrij, Leedvermaak van Judith Herzberg kregen na de eerste opvoeringen alleen bij uitzondering een tweede interpretatie. Maar een toneeltekst verwerft zich pas belang, wanneer hij door verschillende regisseurs in verschillende tijden en stijlen wordt uitgevoerd. Echter, elk nieuw Nederlands stuk is een incident; kortstondig schitterend, en ineens verdwenen. Dat er geen dragend toneelrepertoire zou bestaan moet dan ook worden teruggespeeld naar de regisseurs zelf. Er heerst onwil om Nederlandse stukken te spelen.

Wel meermalen Drie zusters of verschillende Kersentuinen per seizoen, maar de traditionele jaarlijkse opvoering van de Gijsbrecht van Aemstel is uiteindelijk gesneuveld. Zo ontstaat er nooit een Nederlandse toneeltraditie van betekenis. Van alle Nederlandse regisseurs heeft zich slechts één voor Vondel geïnteresseerd, en dat is Hans Croiset. Gerardjan Rijnders regisseerde prachtige voorstellingen van Racine en Corneille. Waarom zou dat niet kunnen met een tekst van Bredero, Hooft, Vondel, Langendijk of Focquenbroch? De spanning tussen ratio en emotie is bij een classicistisch auteur als Hooft even groots als bij de Franse klassieken. Waarom kan aan Hooft niet worden ontleend wat bij Corneille wel mogelijk is? Daarover zouden de Nederlandse regisseurs diep na moeten denken.

Theu Boermans: Toneel een `autonome' of een `toegepaste' kunst? Uitg: Theater Instituut Nederland, Herengracht 168, 1016 BP Amsterdam. Tel: 020-5513300. Prijs ƒ2,50.

    • Kester Freriks