Grijze panters

De voormalige revolutionair zoekt alsnog rechtvaardiging, en schrijft een kookboek.

Deel 47 in Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

De dingen die voorbij gaan: in Public Enemy, een documentaire van Jens Meurer die te zien is op het IDFA in Amsterdam, zie je een groepje oude Black Panthers terugkijken op de spannendste, roerigste, heftigste periode in hun leven – de hoogtijdagen van hun partij, eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Desillusie en nostalgie vechten met elkaar. Een van de leiders van het eerste uur, Bobby Seale, speelt een bloedlinke confrontatie met een politieman op de openbare weg na en blijkt na al die jaren woordvast in alle rollen. Hij is allang geen jonge panter meer, hij is een goedmoedige grijze man met bolle wangen en een basketballpetje op zijn hoofd, die zich bedaagd een weg baant door het leven, zo veel mogelijk herinneringen aan vroeger ophalend. Het liefst samen aan de bar met een voormalige doodsvijand, een FBI-agent.

Ook de andere Panters zijn heel veel ouder geworden, en een klein beetje wijzer. Nile Rodgers, die ik alleen kende als basgitarist en man achter de klassieke discogroepen Chic en Sister Sledge, raakte als jongen betrokken bij de partij, had de tijd van zijn leven, en kan nu nog steeds maar niet geloven dat de groep dertig jaar geleden in heel Amerika als staatsvijand nummer 1 werd beschouwd. Kathleen Cleaver draagt haar littekens als medailles en imponeert in collegezalen studenten, geflankeerd door Noam Chomsky, met haar verhalen over het lijden voor de goede zaak.

Het is het verhaal van de levenden, de doden blijven onzichtbaar. Aan het eind van de jaren zeventig waren er al achtentwintig leden van de para-militaire Black Panther Party gedood, en een ongeveer even groot aantal politie-officieren. In de woorden van Seale, Brown en de anderen klinken echo's door van de gruwelen, de haat en de woede en de achterdocht, die hun levens voorgoed getekend hebben, maar het verdriet krijgt geen kans. Want achter de gezichten van de doden rijst het spook van de zinloosheid op. Was het het allemaal waard? Heel af en toe schemert de twijfel door. Als je naar de ellendige toestand van de zwarten in het Amerika vandaag kijkt, mijmert Jamal Joseph, en je herinnert je degenen die gevallen zijn in de strijd tegen de Pig Society, bekruipt je het gevoel dat hun dood tevergeefs was. ,,They died in vain and we were part of that vanity.''

Met diezelfde achterafblik kijk ook ik naar een documentaire als deze, vol afkeer van de revolutionaire eigenwaan van de Panters, hun retorische manipulaties en militante gekkigheid. Zo verander je de wereld niet. De motor van de Zwarte Panter-beweging was woede, woede, woede. Van de verfoeide, door-en-door racistische Pig Society werd stante pede een ideale wereld geëist, een radicale transformatie, een hemel op aarde in marxistische termen. Aan de andere kant, dit weet je ook: bij iedere emancipatiebeweging zijn het radicale groeperingen die de weg effenen voor meer realistische, gematigde bewegingen, die een werkelijke transformatie bewerkstelligen. De extremisten van het eerste uur leggen meestal het loodje, raken aan de drugs of worden neergeschoten, of allebei, zoals Huey Newton, die samen met Seale de Black Panther Party oprichtte. Of ze worden botweg aan de kant gezet door latere generaties, die de vruchten van hun activisme hebben geplukt en in plaats van dankbaarheid alleen maar ongemak voelen bij het zien van al dat radicale onkruid dat maar niet wil vergaan.

Dat ontroert me wel, de krampachtige manier waarop de voormalige Panthers gerechtvaardigd willen worden door de huidige generatie. Zeg ons dat het zin had wat we deden! De drie mannen in de documentaire hebben iets smekends. Alleen Kathleen Cleaver verbergt haar twijfels en schuldgevoel achter een muur van ijzingwekkende zelfgenoegzaamheid over haar verleden, haar strijd, haar overleven. Met een veelbetekende blik in haar ogen vertelt ze dat ze haar post-traumatische stress, die ze jarenlang had weggestopt, heeft leren verwerken in een therapie-groep van overlevenden van de holocaust.

Maar het leven krijgt haar nog wel. Het leven krijgt ons allemaal. De tragiek van deze oude panters is dat ze hun huidige besef van hun verleden maar niet kunnen rijmen met hun gevoel over die periode. Ze waren jong, ze leefden gevaarlijk, voor zichzelf en anderen. En ze konden dat rechtvaardigen met een rechtlijnigheid die ze zich daarna nooit meer zouden kunnen permitteren: ze deden het allemaal niet voor zichzelf, maar voor een hoger, veel hoger doel. De politieke strijd was hun geloof. Het moet dronkenmakend opwindend zijn geweest, zo'n beetje wat verzetsmensen in de Tweede Wereldoorlog hebben gevoeld. In hun latere inzichten en ervaringen hebben de panters de nuance en de twijfel moeten toelaten, achteraf bleken ze vooral dood en verderf te hebben gezaaid, schuldgevoel dreigt hen te overweldigen maar toch, tot in hun diepste wezen weten ze dat het de mooiste periode in hun leven is geweest. Die gespletenheid vind je bij de meeste oude radicalen; daarom kunnen ze zichzelf honderd keer schuldig verklaren zonder ook maar één seconde spijt te hebben.

Het pathos van de revolutionair, de roes van de roeping, geen houseparty of bungeejump is zo heftig als dat. Het leek allemaal zo reëel. Persoonlijk ingrijpen in de wereld met een radicaal gebaar, dat is onmogelijk geworden, aangezien juist de generatie van de Panters er het theatrale en de zinloosheid van heeft aangetoond. Groots en meeslepend kun je nu alleen nog zijn wanneer je je van de wereld afkeert, in je fantasie of in extreme persoonlijke avonturen. De buitenwereld blijft onaangedaan.

De Panters die nog leven, hebben dat geleerd. Nog geen tien jaar na het uiteenvallen van de partij had Nile Rodgers zijn grote successen met Chic, de groep die ironisch genoeg een monsterhit had met het nummer `Good Times', waarin in aangenaam wezenloze zinnen keer op keer herhaald wordt hoe geweldig de wereld wel niet in elkaar steekt. Bobby Seale schreef na twee delen heldhaftige autobiografie een kookboek waar hij nog steeds apetrots op is, Barbecuin' with Bobby, vol handige tips over marinade en houtskool. En Jamal Joseph zie je in de documentaire langs scholen en jeugdcentra gaan met zijn verhaal over zijn leven als Panter. De leerlingen kijken glazig wanneer hij vertelt over zijn oude idealen en revolutionaire daden. Dit is een wereld die lichtjaren van hen verwijderd is. Totdat hij op een gegeven moment een oude poster omhooghoudt en de jongeren vraagt wie dat is, die jonge zwarte met zijn wilde afrodos?

Zien jullie het niet?

Ik ben het!

De reactie is verbluffend. De jongens en meisjes die in een kring om hem heen zitten slaken kreten van verbazing en schieten naar voren om de foto van zo dichtbij mogelijk te bekijken. Het is onvoorstelbaar, zie je ze denken, plotseling heftig geboeid. Deze man is jong geweest!

    • Bas Heijne