Evenwichtig historicus

De deze week overleden Gerlof Verwey, geboren kort voor Kerstmis 1901 in Noordwijk, was een zoon van de dichter-letterkundige Albert Verwey en Kitty van Vloten, een van de dochters van de beroemde veelschrijver en veeldenker Johannes van Vloten.

Beide ouders waren nauw betrokken bij de kring van kunstenaars – schrijvers, dichters en schilders – die in de zogenaamde Beweging van Tachtig al een rol hadden gespeeld en nog lang na 1900 hun invloed in de kunsten deden gelden. Al leek Gerlofs levensloop aanvankelijk in een andere richting te gaan – van 1919 af vond hij een bestaan in het zakenleven – die cultureel-literaire achtergrond bleef zijn leven en denken bepalen. Ook toen hij in het bankwezen verzeild was geraakt, bleef hij veel lezen en kreeg hij een grote historische belangstelling.

Het culturele erfgoed van zijn vader was hem zo dierbaar dat hij aan het einde van zijn leven nog initiatieven nam om de bewaard gebleven correspondentie van Albert Verwey uit te geven. Een met een gift uit zijn vermogen in 1985 opgerichte Kitty van Vloten Stichting bedoelde met prijzen, uitgaven en congressen het culturele leven in Nederland, vooral literair en historisch, te stimuleren.

In Gerlof Verwey's eigen leven kwam er pas een definitieve wending naar culturele activiteiten toen hij in 1970 zijn beleggingswerkzaamheden defititief beëindigde. Hij had, zoals hij dat in zijn autobiografie 's Levens avontuur (1994) zo levendig beschreef, zijn schaapjes op het droge en kon zijn Hollandsche Belegging en Beheer Mij met een gerust hart aan anderen overdragen.

Schrijven had hij al vaak genoeg gedaan – vooral in beleggingsbeschouwingen en -adviezen – maar nu besloot hij zich op geschiedschrijving toe te leggen. In dit `vak' – want het werd zijn nieuwe vak – was hij een pure autodidact maar dan wel een die openstond voor andermans aanwijzingen en gretig de door hem zorgvuldig geselecteerde literatuur in zich opnam. Hij zette zich er toe om in één groot boek de Geschiedenis van Nederland als een Levensverhaal van zijn bevolking van oorsprong tot het heden te schrijven, met aandacht voor zowel politiek en economie als voor sociale verhoudingen en kunsten en geloof. Het boek kwam in 1976 uit en werd een groot succes. Er bestond kennelijk behoefte aan een breed overzicht en Verwey bood dit in een vloeiende en boeiende stijl van schrijven, sober ook en systematisch in chronologie en thematiek.

Dit succes – er volgden in de loop der jaren zelfs vijf herdrukken die Verwey telkens zorgvuldig bewerkte en aanvulde – is misschien vooral te verklaren uit het enthousiasme en de liefde voor het onderwerp die op elke bladzijde de lezer tegemoet treedt.

Het moge zijn dat Verwey als kind van zijn tijd door patriottische bewondering voor het Nederlandse verleden gedreven werd en daarin, ook door zijn stijl, misschien hier en daar een ouderwetse indruk maakt en zulk een overzicht niet meer in deze trant geschreven zou kunnen worden, maar kennis en inzichten zijn toch gebaseerd op de door Verwey goed bijgehouden historische literatuur en daarin wordt veelal uitstekend weergegeven wat wij omtrent die geschiedenis willen weten of kunnen weten.

Het is overigens opmerkelijk dat Verwey nog tot in zijn laatste levensjaren, na en naast zijn Geschiedenis van Nederland, bleef schrijven en publiceren. Naast zijn autobiografie, die ten onrechte weinig aandacht trok, moet dan hier wel genoemd worden Verwey's cultuur-historische beschouwingen, waarin hij, zoals de titel zegt, Op zoek ging naar het wezelijke in de Nederlandse geschiedenis (1980). Hierin staat als het ware bijeen wat er ten aanzien van het Nederlandse volkskarakter in verband met de historische ontwikkeling in Verwey's ogen en die van hele generaties intellectuelen aan `wezenlijks' voor ogen stond. Al zou men daar misschien minder stellig en overtuigd over schrijven dan Verwey deed en zelfs een deel ervan als een `constructie' willen afdoen, het is toch een geluid dat vaak in de afgelopen decennia te horen was en een boeiende vertolking vond dankzij de pen van Verwey.

Met Verwey's dood nemen wij wellicht afscheid van een wijze van geschiedschrijving die tot ver na de Tweede Wereldoorlog typerend was: evenwichtig en weloverwogen, sober en godvruchtig.

    • I. Schöffer