Een skibox in zee

Als mensen in een roman zwemmen dan zwemmen ze niet alleen, ze vinden ook hun onschuld of zuiverheid terug, of de geborgenheid van de baarmoeder. Er kan geen duik genomen worden zonder dat het een symbolische betekenis heeft. De hoofdpersoon van Held van beroep, de vijftienjarige Samson Fittipaldi, is een fanatiek zwemmer. Omdat het verhaal geheel vanuit het perspectief van de jongen wordt verteld, verliest de schrijver zich niet in een beschouwing over bijvoorbeeld zuiverheid maar laat hem vertellen over de desinfecterende middelen in het zwembad: `Bij de eerste duik neem je zeshonderd miljoen microben mee het water in, maar op het moment dat je het zwembad uitkomt ben je echt schoon, zo schoon als je nog nooit geweest bent, geen levende ziel meer te bekennen op je lichaam.'

Held van beroep gaat over een gezin dat door de ziekte en dood van de moeder uiteenvalt. Steeds keren in het verhaal het zwemmen en water terug: als zijn moeder met de ambulance wordt weggevoerd komt Samson net van het zwembad, wanhopig probeert hij zichzelf te verdrinken, de dode moeder wordt in een plastic skibox in zee gegooid. De opdracht waar hij zijn leven aan wil wijden is het zoeken van het Bad zonder Einde. Dat Samsons waterobsessie een grote betekenis heeft wordt gaandeweg wel duidelijk (hij zegt zelf `dat je niets kan gebeuren als je in het water ligt'), maar die betekenis wordt niet te luidruchtig gepresenteerd; je mag hem er zelf bijdenken.

Jaeggi balanceert mooi op de rand van de symboliek en ook van het sentiment, bij zijn beschrijvingen van familieruzies, de ziekte van de moeder, een demente oma. Dat lukt hem door consequent de stem van Samson te gebruiken, die grote woorden en grote gevoelens schuwt. Hij spreekt net als Salingers Holden Caulfield af en toe de lezer toe (`bedankt dat je zo goed oplet'), bekijkt over het algemeen met ironische distantie zijn omgeving en maakt zich af en toe kwaad over de huichelachtigheid van de volwassenen. Niet te kwaad, want Samson is een aardige jongen: `Ik ben zo aardig dat het me misselijk maakt'. Net als Holden Caulfield loopt Samson weg als het te erg wordt, en dan is hij niet meer zo aardig – een pesterige jongen met geföhnd haar en `een gezicht zo bruin als een antieke tafel' steekt hij een oog uit.

Adriaan Jaeggi (1963) is ook trombonist en schrijft onder meer voor De Groene Amsterdammer. Hij publiceerde eerder een dichtbundel en in 1995 de, matig ontvangen, roman De tol van de roem. Als oud-redacteur van Propria Cures bevindt hij zich in het illustere gezelschap van schrijvers als Mensje van Keulen, Robert Loesberg, Tim Krabbé en Theodor Holman – net als zij maakte hij de verwachting waar die alle PC-redacteuren als een hete adem in de nek blaast,het schrijven van een roman en nog een goede ook.

Het boek kent zowel druilerig-realistische passages, waarin een specifiek Hollands wanhoopsgevoel voelbaar wordt, als licht-absurdistische stukken waarin de fantasie van de jongen op hol slaat, of zijn verhaal zo onwaarschijnlijk wordt, dat ook de andere personages hem niet geloven. Bijvoorbeeld als hij vertelt dat zijn moeder op het water kon zwemmen, als een kever. Samsons liefde voor het onmogelijke onderscheidt hem, zijn bestemming vindt hij in het verrichten van hopeloze taken. `Niet uit nobelheid of goedhartigheid, maar omdat dat zijn baan was. Held van beroep.'

Adriaan Jaeggi: Held van beroep. Bert Bakker, 222 blz. ƒ29,90.

    • Martijn Meijer