Een midlife-crisis met vulkaankracht

``Ik weiger de lezer een warmbloedig personage voor te schotelen,' zei Tim Parks een jaar geleden in een interview in het Cultureel Supplement van deze krant. De naar Italië geëmigreerde Engelsman schreef onder meer twee thrillers met een psychopaat in de hoofdrol en haalde vorig jaar de shortlist van de Booker-prijs met Europa, de monoloog van een leraar Engels die in een bus vol demonstranten op weg is naar Straatsburg. Een aardige man was deze Jerry Marlow inderdaad niet, maar zijn in stream of consciousness verpakte tirades en frustraties maakten van het onlangs vertaalde Europa een stijlvaste en vooral geestige aanklacht tegen conformisme en oppervlakkigheid.

In zijn nieuwe roman Destiny verplaatst Parks zich wederom in de geest van een op zijn zachtst gezegd kille persoonlijkheid: de gefrustreerde en met zijn huwelijk modderende schrijver-journalist Christopher Burton. Zijn gedachtenstroom begint wanneer hij in een Londens hotel het bericht krijgt dat zijn psychotische zoon zelfmoord heeft gepleegd in een Italiaanse inrichting. Burton verbindt daar onmiddellijk de conclusie aan dat hij nu kan en moet scheiden van de Italiaanse vrouw met wie hij al dertig jaar getrouwd is, en hij beleeft in het tijdsbestek van een paar dagen een (verlate) midlifecrisis met de kracht van een vulkaanuitbarsting.

Het is het psychologisch inzicht dat opvalt in Destiny, en het is de stijl die telt: de lange zinnen met veel bijstellingen en gedachtestreepjes, het gebrek aan alineascheidingen dat het proza koortsachtig maakt. De gebeurtenissen in de roman laten zich dan ook kort beschrijven. In de dagen voor de begrafenis van zijn zoon evalueert Burton zijn huwelijk, dat door hartstochtelijk wederzijds overspel (een van Parks' favoriete motieven) gekenmerkt is; als het lijk is bijgezet zegt hij zijn vrouw met veel drama hun scheiding aan; en weer een dag later komt hij na een smeekbede van Mara gelouterd bij haar terug. Zijn zwerftocht door Rome, die hem onder meer voor een interview bij ex-premier en (voormalig) mafia-verdachte Andreotti brengt, eindigt met het moment dat hij berustend en ondanks alles vol liefde weer naast Mara in bed ligt – een scène die door het sublieme en ontroerende gebruik van de monologue intérieur doet denken aan de monoloog van Molly Bloom waarmee James Joyce Ulysses besloot.

Parks, die zichzelf doorgaans schatplichtig verklaart aan de gestileerde woede van Thomas Bernhard, heeft voor Destiny goed gekeken naar Joyce. Met een vergelijkbare overtuigingskracht schetst hij de overspannen geest van zijn hoofdpersoon, waarin verstandig klinkende paradoxen (`The closer you come to something the less you understand it') zonder stijlbreuk overgaan in krankzinnige uitbarstingen, seksuele fantasieën en bespiegelingen over de psyche van de in Burtons ogen door-en-door corrupte Andreotti.

De onlangs van mafiabanden vrijgesproken christendemocraat fascineert Burton. Niet alleen omdat hij in diens combinatie van meedogenloosheid en bonhomie de gespleten persoonlijkheid van zijn overleden zoon herkent, maar ook omdat Andreotti de belichaming is van het `Latijnse raadsel' dat Italianen ook na jaren van Europese Unie zal scheiden van de volkeren in het Noorden. Immers: Burton, die zelf zijn hele leven getrouwd is geweest met een ongrijpbare Italiaanse, is bezig aan een dik boek over nationale identiteit.

De onmogelijkheid om mensen werkelijk te kennen is het diepere thema van Destiny. Aan het eind van de roman, wanneer Burton na zijn interview met Andreotti op weg is naar het familiehuis van zijn vrouw, realiseert hij zich dat hij nooit de waarheid over hem te weten zal komen. `Je zal nooit weten wat zich in Andreotti's geest heeft afgespeeld, of zelfs wat er gebeurde tijdens zijn regeringsperioden, zei ik tegen mezelf. Je zal nooit weten wat er met je zoon is gebeurd, dacht ik. Of zelfs tussen je vrouw en jou.'

Het ironische (en mooie van Destiny) is dat Tim Parks er juist wel in slaagt om door te dringen tot het diepste wezen van zijn hoofdpersoon. Tenminste, zo lijkt het. Hoe meer je leest in het nietsontziende zelfportret van Chris Burton, hoe meer je het idee krijgt dat je hem begrijpt – totdat je hem aan het eind van de roman eerder als een dierbare vriend dan als een kille egoïst ziet. Daarin verraadt zich de meesterhand van Parks. Hij is een schrijver die zijn romanheld in het eerste hoofdstuk kan laten fulmineren tegen `de afleiding, het gebrek aan vastomlijndheid dat het grootste gedeelte van ons leven verpest'; om hem op een van de laatste bladzijden even overtuigend over zijn hervonden vrouw te laten opmerken: `Our destiny was to distract each other perhaps. In a world where you cannot go deeper, what else could destiny be but a long and fruitful distraction?'

Tim Parks: Destiny. Secker & Warburg, 249 blz. ƒ65,65

    • Pieter Steinz