Een leven in een wenk

In 1994 publiceerde Stefan Hertmans vijf poëtische dodendansen rondom Hindemith, Paul Valéry, Cézanne, Nijinsky en Wallace Stevens. Samen vormden ze zijn vijfde dichtbundel, Muziek voor de overtocht. Drie bundels later blijkt dit lustrum een ijkpunt in zijn dichterschap. Muziek voor de overtocht betekende – dank zij de nominatie voor de VSB-poëzieprijs – niet alleen een publieke doorbraak in Nederland, maar markeerde ook inhoudelijk hoeveel deze Gentse dichter in huis heeft.

In Francesco's paradox (1995) en Annunciaties (1997) bevestigde Hertmans de weidsheid van zijn dichterlijke greep. Persoonlijke herinneringen vloeiden als vanzelf samen met belezenheid en culturele fascinatie. Eigen bekommernis en historisch leed werden één in verzen die, hoe droef de ondertoon vaak ook klonk, van intellectueel optimisme getuigden.

In zijn nieuwe bundel, Goya als hond, zit opnieuw veel eruditie tussen de regels. Maar Hertmans loopt niet met zijn kennis te koop, en schrijft geen leerdichten. Ook wie de aanleiding van zijn poëzie niet kent, kan zijn verzen waarderen. De titels verwijzen dikwijls naar grote, door Hertmans bewonderde voorbeelden van architectuur, schilderkunst, muziek en dichtkunst, maar elk gedicht in deze bundel gaat toch vooral over het leven, denken en voelen van de dichter zelf.

Niettemin is het grammaticale onderwerp in de vijftig gedichten van Goya als hond slechts vijftien keer `ik'. Het gros van de verzen staat in de tweede of derde persoon: `je' en `hij' (of zij) dus. In verhalend proza zet zo'n onderwerpkeuze de verteller op afstand, waardoor de lezer zich makkelijker met de personages in het verhaal kan vereenzelvigen. Hertmans bereikt soms een soortgelijk effect, maar zijn wisseling van personages heeft, denk ik, ook een poëtisch doel. Als lezer word je van vers tot vers steeds weer opnieuw tot oriëntatie gedwongen. Het is niet onmiddellijk duidelijk wie `hij' of `je' is. En is de `ik', hoe persoonlijk hij ons ook toespreekt, echt Hertmans zelf? Opmerkelijk in dit verband zijn het eerste en laatste gedicht van de bundel, `Voor het ontwaken' en `Vertrek'. In geen van beide wordt het onderwerp benoemd.

Zo blijft het raadsel dat elk van Hertmans' gedichten uitspreekt bewaard. Er is dan ook geen boodschap in zijn poëzie – al eindigt vers na vers wel in een beeld van ontgoocheling of gemis. Het intellectuele optimisme tussen de regels staat haaks op de sombere levensvisie die Hertmans (realistisch, dat wel) verwoordt. Dreiging en berusting wisselen elkaar daarbij af, zoals in het titelgedicht van de bundel, waarin Hertmans Goya's muurschildering van een hond die zwemmend tegen de stroom vecht tot embleem van zijn levensvisie maakt.`De schilder blaft naar de verschijning van zijn eigen Zelf,' stelt Hertmans. En `We verdrinken in het heden en de adem schiet tekort'.

Er is dus veel somberte in Goya als hond; maar de bundel biedt meer dan troosteloosheid. Indrukwekkend zijn de liefdevolle gedichten over Hertmans' zoontje, nu eens beschreven als `een moeilijke, door mij verwekte / kolder van mijn eigen tijd', dan weer onderwerp van angst – zoals in 'Eerste stappen':

Hij liep de straat op zonder kijken

en ik, die soms op hem begin te lijken,

dacht dat hij zo op huis aan kon.

Hij draait zich om, de auto's razen

op de dijk. Nu hij er bijna is

kan ik hem nooit bereiken.

Zo is het dat mijn vader levenslang

kon dromen van een hand, al even klein

en snel, die tussen spijlen van een reling

kon ontglippen, in de diepte rots en

water,

een leven in een wenk.

Zo grijp ik hem, hij zonder schrik

en ogen rustig open,

ik met een doodsmak in mijn lijf,

die ik een leven lang niet kan

ontlopen.

Vader en zoon vallen een ogenblik samen. Hun congruentie komt niet onverwachts, want wordt al in de tweede regel aangekondigd met `ik, die soms op hem begin te lijken'. Maar de herinnering aan `mijn vader', aan de grootvader dus, plaatst de eerste stappen in een niet aan tijd gebonden dimensie. `Een leven in een wenk' wordt een levenslange bekommernis.

Net zoals in zijn vorige bundels gaat Hertmans ook in Goya als hond zijn onderwerpen virtuoos te lijf. Slechte gedichten ontbreken; het poëtisch niveau is zo goed als constant. Soms laat een vers zich moeilijk openbreken, maar dat komt vooral doordat geen regel voorspelbaar is. Hertmans heeft geen tekort aan ideeën, zijn taal is wendbaar, en zijn beelden hebben dikwijls de kracht van een superieure foto. Illustratief zijn de slotregels van `Als een foto', op het scherp van de sluitertijd:

Licht tekent vluchtig vormen van voorbij-

gaan

in het water van een teil;

tijd, soepele huls, past om de vorm

van een slapende kater.

Dan drukt hij af.

Hij heeft zichzelf te hard gewild.

Herkenning is voor later.

Bij eerste lezing kreeg ik het verlangen de drie laatste regels weg te denken, zodat het gedicht zou eindigen in het beeld van die slapende kater. Maar zo'n ingreep ontkent de intentie van Hertmans' dichterschap. Niet alleen het beeld, ook de fotograaf wordt vastgelegd in de tijd. Want hoe cultureel het referentiekader ook is, de poëzie van Hertmans gaat over mensen.

Stefan Hertmans: Goya als hond. Meulenhoff, 62 blz. ƒ29,90

    • Arie van den Berg