De vrouw van meneer Kappner

NEW YORK Ik had wat oude rotzooi naar de veiling gebracht. Ik dacht, misschien brengt het nog wat op. Antiek, een paar zeldzame boeken, wat prenten die ik in de loop van mijn leven had gekregen en die ik nooit aan de muur had gehangen, omdat ik wel houd van kale muren. Een vaas waarvan men zei dat die kostbaar was. Allemaal troep die je eigenlijk toch maar in de weg staat. Een klein veilinghuis in het oosten van de stad wilde mijn rotzooi wel in consignatie nemen. De juffrouw van het veilinghuis zei nog dat het verboden was op je eigen spullen te bieden om zo de prijs op te drijven. Van ieder object wilde ze weten wat de minimumprijs was die ik ervoor moest hebben. Van heel veel spullen zei ik `alles wat ik ervoor krijg is meegenomen'. Gisteren was de veiling. Om twee uur 's middags. Ik ging er al vroeg heen. Je wilt toch weten wie er op je spullen bieden, of er überhaupt mensen zijn die die rotzooi kopen.

's Ochtends had ik een sollicitatiegesprek gevoerd bij een onderzoeksbureau dat jonge gretige onderzoekers zocht. Voor jong kon ik nog wel doorgaan, gretig kon ik spelen en een onderzoeker ben ik eigenlijk mijn hele leven al geweest. Het onderzoeksbureau zat op de zeventiende verdieping. Luxaflex hield het zonlicht tegen. De eigenaar was een kale man. Hij vertelde dat hij de voormalige DDR was ontvlucht, drie jaar voor de Muur openging. Sommige mensen hebben pech. ,,Het is geen glamour'', zei hij, ,,als je dat zoekt, ben je hier verkeerd, we houden ons toch vooral bezig met het betrappen van overspelige echtgenoten en echtgenotes. Je kent het wel.'' Hij stak een sigaret op. ,,Ik zoek geen glamour'', zei ik, ,,ik zoek werk.'' Het leven scheen mij een moeras van onbetaalde rekeningen en iets in mij wilde dat moeras ontvluchten, hoewel er uren waren dat verzuipen mij ook heel aangenaam leek.

,,In Leipzig noemden ze me Rode Siegfried'', zei de kale man. Hij keek me aan en wachtte op een reactie, maar er kwam geen reactie. Wat kon het mij schelen hoe ze hem in Leipzig hadden genoemd. ,,Het werk bestaat vooral uit wachten. In restaurants, in auto's, in hotellobby's, op parkeerterreinen, en dan een paar fotootjes maken. Geen achtervolgingen, geen glamour. Kun je wachten?''

,,Ik geloof het wel.''

Misschien had Rode Siegfried in Leipzig ontrouwe burgers opgespoord in opdracht van de staat. Jaloerse mensen of jaloerse staten, het kwam op hetzelfde neer. Voor mensen als Rode Siegfried was er altijd werk. Ik vond hem wel sympathiek. ,,Wat deed je hiervoor?'' vroeg Rode Siegfried. ,,Ik schreef'', zei ik, ,,maar op de ranglijst van amazon.com staat A. Hitler vele plaatsen boven A. Grunberg en op een gegeven moment moet je je verlies onder ogen zien.''

Een grijns trok over het gezicht van Rode Siegfried. Nu dacht hij aan betere tijden in Leipzig. ,,Ik wil het wel met je proberen'', zei hij, ,,je kijkt wakker uit je ogen.'' Hij gooide een map op tafel. ,,Hier'', zei hij, ,,meneer Kappner denkt dat zijn vrouw hem bedriegt. Zoek dat eens uit.'' Ik bladerde in het dossier. Wat foto's, brieven, adressen, telefoonnummers, aantekeningen van Rode Siegfried. Zelfs een huwelijksfoto. De vrouw van meneer Kappner heette Bessie. ,,Krijg ik per uur betaald?'' ,,Dit is je proefopdracht'', zei Rode Siegfried, ,,heb je een fototoestel?''

Ik knikte. Rode Siegfried zuchtte. ,,Je hebt toch geen ethische bezwaren?'' ,,Totaal niet'', zei ik. ,,Zij die overspel spelen moeten erop rekenen betrapt te worden. En ik wil ze graag betrappen met mijn fototoestel.'' ,,Dat is de juiste houding jongen'', zei Rode Siegfried.

Hij drukte zijn sigaret uit. ,,Over een week wil ik van je horen over meneer Kappner zijn vrouw. Verknal het niet. Niemand zal je zo weinig vragen stellen als ik.'' Hij stond op en deed de deur voor me open. En met het dossier van meneer Kappner en zijn vrouw liep ik naar het veilinghuis. Binnen een week moest ik een vrouw betrappen. Of niet. Het was een raar idee, maar het was werk.

Ik schreef me in bij de receptie van het veilinghuis en kreeg een houten bordje met een nummer. Ik dacht, misschien zie ik iets moois voorbijkomen dat niet al te duur is en dan kan ik erop bieden. Er waren een stuk of veertig mensen op de veiling afgekomen. Veelal oudere mensen. Er werd van alles geveild die middag. Van schilderijen van redelijk onbekende kunstenaars tot in beslag genomen goederen. Ook zoekgeraakte koffers die nooit waren geclaimd door passagiers. Om precies twee uur beklom de veilingmeester het spreekgestoelte. Hij deed dit vast al heel lang. Eerst nam hij een slok water. En toen hamerde hij op het spreekgestoelte en begon in rap tempo de voorwaarden van het veilinghuis voor te lezen. Toehoorders bladerden in een gestencilde catalogus.

Het eerste stuk van de veiling was een houten boekenkast. ,,Massief hout'', riep de veilingmeester. Hij zette in op 800 dollar, maar niemand bood op 800 dollar. Toen ging hij naar 700 dollar, maar nog steeds werd er niet geboden. Dat was geen goed begin. Een spiegel kwam voorbij, tweehonderd bureaustoelen in goede staat, een koelinstallatie, net nieuw. Hoe langer de veiling duurde, hoe meer ik me begon af te vragen waar al die spullen vandaan kwamen. Eindelijk kwam iets dat ik naar het veilinghuis had gebracht. Een zeldzaam gebedenboek. In goede staat, want voor bidden heb ik weinig tijd gehad. Ik keek om me heen of er op geboden werd. Het ging weg voor 200 dollar, ik had op meer gehoopt.

Voor mij zat een mevrouw die de hele tijd zenuwachtig op haar lip beet, maar die nergens op bood. Ik had mijn houten bordje ook nog geen enkele keer omhooggestoken. Ik bekeek de huwelijksfoto van het echtpaar Kappner. Bessie en haar man, stralend, ergens in een tuin, ze heeft bosje bloemen in haar hand. Loeder, dacht ik, ik ga je betrappen. Meneer Kappner, zo bleek uit het dossier, had ernstige vermoedens dat zijn vrouw het met de dermatoloog dreef die ze sinds drie jaar wekelijks moest bezoeken. Haar huid liet los. Maar op die foto's was er weinig van loslatende huid te zien. Vier mountainbikes werden geveild. Die waren niet van mij. Misschien een gezin dat verongelukt was in de bergen. ,,Vier gloednieuwe mountainbikes'', riep de veilingmeester.

Mijn vaas wilde niemand hebben. Ik nam het gek genoeg toch een beetje persoonlijk.

Veertig donzen dekbedden kwamen voorbij. Een klein ziekenhuis dat was gefuseerd met een groter ziekenhuis of een hotel dat zichzelf had opgeheven? ,,Echt ganzendons'', riep de veilingmeester, maar dat maakte weinig indruk. Toen de veiling was afgelopen leverde ik mijn bordje in. Ik hoorde een man zeggen: ,,Ik ben nummer 382, ik heb de dekbedden gekocht, ik wil afrekenen.''

Onze blikken kruisten elkaar. Hij was van middelbare leeftijd en droeg een hoed met een veertje. Ik dacht, veertig dekbedden, wat moet je daarmee? Blijkbaar kon hij mijn gedachten raden, want hij sloeg zijn ogen neer.

Ik liep naar het metrostation en knoopte het skijack dat ik tweedehands had gekocht goed dicht. Hoeveel dekbedden verslijt een mens in zijn leven? Ik schatte het op een stuk of zeven of acht, maar ik wist het niet zeker. Het was geen urgente vraag, ik moest me nu verdiepen in Bessie Kappner en besloot maar eens langs het huis van die dermatoloog te lopen. Het kon me niets schelen als de dermatoloog van Bessie Kappner een hoektand uit mijn mond zou slaan. Die hoektanden gebruik ik toch nauwelijks. Ik wil sterven door de hand van een ander. Ik wil zoveel mogelijk mensen meesleuren in mijn val. Opdat ik niet zo alleen zal zijn, als ik aan het vallen ben.

Het Stedelijk laat een goudmijn liggen, zeg ik, maar Koolhaas, wiens woorden vaak als een razende achter zijn gedachten lijken aan te rennen, is nog op stoom. ,,En de natuur wordt ook aangepast. Er komt steeds meer fake-natuur in de winkelcentra. Palmen die gebalsemd worden zodat ze niet helemaal dood zijn, maar ook niet levend. Ze krijgen een metalen ruggegraat zodat ze in allerlei vormen gebogen kunnen worden.''