De NAVO zal hordes moeten nemen

Markt en politiek moeten hand in hand gaan, ook of juist daar waar de politiek het altijd voor het zeggen had: de defensie. Dat is de boodschap van John Deutch, Arnold Kanter en Brent Scowcroft in het laatste nummer van het jaar van het tweemaandelijkse tijdschrift Foreign Affairs. De auteurs bekleedden hoge posten in de Amerikaanse regering, Deutch en Kanter in de regering-Clinton, Scowcroft in de regering-Ford en -Bush. Zij maken zich ernstige zorgen over de betrekkingen tussen Europa en Amerika en de titel van hun artikel luidt dan ook Saving NATO's Foundation, niet meer en niet minder.

De ervaring van de interventie in Kosovo dit voorjaar is dat de Amerikaanse en Europese defensiesystemen in de jaren na de val van de Muur uit elkaar zijn gegroeid. Na afloop meenden deskundigen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan dat, als deze ontwikkeling doorzet, er een tijd aanbreekt waarin Amerikaanse en Europese strijdkrachten niet meer in één verband zullen kunnen optreden. De technologische kloof zal dan te groot zijn geworden. Sindsdien weerklinkt de oproep die kloof te dichten. Dat zullen de Europeanen moeten doen door harder te hollen dan zij tot dusver hebben gedaan.

In het verleden, schrijft het drietal, profiteerde de Amerikaanse industrie van de Europese achterstand door hoogwaardige uitrusting aan NAVO-landen te verkopen zonder deze te laten delen in het werk of de technologie. Een goed voorbeeld was in de jaren zeventig de verkoop van AWACS, een vliegtuig volgeladen met waarnemings- en beheersapparatuur dat is ontwikkeld en geproduceerd in de VS. Een ander was de aanschaf van het F-16-gevechtsvliegtuig door verschillende bondgenoten. Tezelfdertijd bleef de Amerikaanse defensiemarkt grotendeels gesloten voor de Europeanen, onder het voorwendsel dat de Europese systemen inferieur waren vergeleken met de Amerikaanse, maar in feite – geven de auteurs toe – in lijn met politieke en zakelijke belangen in de VS zelf die er niet op uit waren dollars of banen naar Europa te `exporteren'.

In toenemende mate, gaat het artikel verder, produceren de Europese partners hun eigen materieel – zelfs wanneer dat duurder en minder hoogwaardig is dan wat zij in de VS zouden kunnen kopen. Een voorbeeld daarvan wordt genoemd het European Fighter Aircraft, dat wordt ontwikkeld tegen aanzienlijk hogere kosten dan die van Amerikaanse vliegtuigen die al beschikbaar zijn. ,,De redenen voor wat schijnt irrationeel zo niet onverantwoordelijk Europees gedrag zijn de voorziene politieke en economische voordelen (zo niet de noodzakelijkheid) van een onafhankelijke defensie-industrie.''

De auteurs schrijven Europa drie overwegingen toe om te volharden. Een onafhankelijke defensie-industrie wordt, evenals de euro, gezien als een essentieel kenmerk van een geïntegreerd Europa dat onafhankelijk van en gelijkwaardig aan de VS wil zijn. Europa zou verder in staat moeten zijn militaire actie te ondernemen zonder Amerikaanse steun en deelname. Consolidering van de Europese defensie wordt beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen concurreren met de handvol bedrijven die de consolidatie hebben overleefd, die zich de afgelopen jaren in Amerika heeft voltrokken. Concurrentie dus, geen samenwerking.

Een onafhankelijke waarnemer zou uit deze analyse kunnen concluderen dat als de Europeanen op de ingeslagen weg verder hollen, hun doel zich steeds verder zal verwijderen. De kloof zal dan niet worden gedicht. De auteurs spitsen dit toe op de informatietechnologie waarop volgens hen de nieuwe defensie rust – het vermogen, met gebruikmaking van optische en elektronische sensors in satellieten en vliegtuigen, grote aantallen gegevens te verzamelen, die gegevens voor gebruik gereed te maken en ze de geëigende commandanten te velde te doen toekomen. De nadruk is verschoven van schepen, vliegtuigen en gepantserde voertuigen naar informatiesystemen die het bevel, het beheer, de verbindingen en de verwerving van inlichtingen ondersteunen. In militaire termen: C3I: command, control, communications en intelligence.

Kosovo heeft uitgewezen dat de drie C's en de I niet altijd en overal op elkaar konden worden aangesloten. Dat maakt gecombineerde actie ter land, ter zee en in de lucht tussen alle deelnemende strijdkrachten onmogelijk. De auteurs menen dan ook dat de eis van integratie op dit gebied in belang ver uit gaat boven de traditionele noodzaak van standaardisatie van munitie en onderdelen. ,,Simpel gezegd, C3I is, samen met het vermogen eenheden snel over grote afstanden te verplaatsen, vandaag de sleutel tot superioriteit in de conventionele oorlogvoering.'' Als de VS, de NAVO en Europa gescheiden structuren zullen hebben, komt dat overeen met een gezond lichaam waarop twee tot drie hoofden rusten, menen de auteurs.

De aanbeveling van het drietal is na deze analyse niet verrassend meer. Zij constateren dat Europa, zij het nog moeizaam, begonnen is aan een consolidering, zeg verdergaande samenwerking, van zijn verschillende defensie-industrieën. Zij adviseren een onmiddellijke stap naar wat zij `transatlantic partnering' noemen, een inspanning, die moet worden geleid door de industrie zelf, en niet uitgebroed tussen de regeringen. Die benadering heeft na dertig jaar pogen gefaald, constateren zij – op grond van eigen ervaring.

De auteurs tonen zich open genoeg om de hand in eigen, Amerikaanse, boezem te steken. Wil iets terechtkomen van deze vorm van `partnering', dan zullen de Amerikanen hun protectionistisch instinct dienen te overwinnen. In het verleden zaten zij boven op hun geheimen uit vrees dat zij in Sovjet-handen zouden geraken. Nu verdenkt men de bondgenoten ervan dat zij bereid zouden zijn geheimen te verpatsen aan regimes die in Amerikaanse ogen niet deugen. De Europeanen van hun kant verdenken de Amerikanen ervan dat dit niet hun echte beweegredenen zijn om samenwerking uit de weg te gaan.

Hoe het zij, de drie auteurs zelf tonen zich bereid over de verschillende hordes heen te springen. Wil de NAVO in staat blijven als bondgenootschap een vuist te maken, dan zal in de betrekkingen over de oceaan heen iets ingrijpend moeten veranderen. De industrie, zeg de markt, zal het voortouw moeten nemen. De regeringen zullen vooral obstakels uit de weg moeten ruimen. Voor regeringen die zeggen de markt te omhelzen, moet dat toch niet al te bezwaarlijk zijn.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon