Alexander Solzjenitsyn: De Goelagarchipel, 1974

Kan een onleesbaar boek een meesterwerk zijn? Jazeker. De Goelagarchipel is zo'n onleesbaar meesterwerk. Drie dikke delen, 1844 bladzijden. Chaotisch, wijdlopig, messianistisch, deprimerend, oersterk, hoogdravend, ironisch, hier en daar galmend, bijtend, zeurderig en wat niet al. Een boek waar je je doorheen worstelt, maar dat je steeds weer op het juiste moment zo treft dat je doorleest. Ook, en dat moet er wel bijgezegd, omdat je de ontstaansgeschiedenis kent.

Want Solzjenitsyn schreef het in de illegaliteit, hij verhuisde de hoofdstukken van schuilplaats naar schuilplaats, uit vrees dat het manuscript ontdekt zou worden en een levenswerk, wat heet: een leven te gronde zou gaan. Aan het einde van die 1844 bladzijden verontschuldigt de schrijver zich dan ook voor de chaos die hij in de schoot van de lezer smijt: `Ik moet uitleggen dat dit boek, al die delen nooit of te nimmer samen op één tafel hebben gelegen. (...) Wel, die nervositeit en onafgewerktheid zijn een waar kenmerk van onze opgejaagde literatuur. Neem dit boek zoals het is.' De lezer heeft weinig keus.

Alleen al de titel is wereldberoemd geworden. Sinds Solzjenitsyn is `de Goelag' - de bureaucratische afkorting staat voor Glavnoje Oepravlenije Lagerej, Hoofddirectoraat der Kampen een internationaal begrip. Als metafoor is de Goelagarchipel een vondst: Solzjenitsyn beschreef de Stalin-kampen als een onzichtbaar eilandenrijk dat zich over de hele Sovjetunie uitstrekte, bevolkt door de miljoenen leden tellende stam der zeki (een afkorting van zakljoetsjonnye, gevangenen). Die hele stam geostraceerden stond tientallen jaren totaal buiten de maatschappij, maar omdat het er zoveel waren, wist iedere sovjet-burger van het bestaan van dit schimmige dodenrijk. Iedereen had er familie zitten, maar zweeg erover. Solzjenitsyn beschreef die archipel als volgt: `Van de Beringzee totaan de Bosporus verspreid liggen de duizenden eilanden van de behekste Archipel. Ze zijn onzichtbaar, maar ze bestáán en van het ene eiland naar het andere worden, net zo onzichtbaar, maar onafgebroken, gevangenen getransporteerd, die van vlees en bloed zijn, die een volume hebben en een gewicht.'

Zoals de meeste sovjetburgers belandde Solzjenitsyn zelf geheel onverwachts op de Goelagarchipel. Als kapitein in het sovjetleger vocht hij in de Baltische landen tegen de Duitsers, toen hij in 1944 plotseling werd gearresteerd. De geheime dienst had brieven van hem onderschept, waarin hij kritiek uitte op de oorlogsvoering en op Stalin in hoogst eigen persoon. Het kostte hem elf jaar van zijn leven, gevolgd door een paar jaar ballingschap in Kazachstan. Zijn verblijf in de Goelag heeft hem gevormd. Daar besloot hij te getuigen, als hij het kamp zou overleven, en die belofte is hij nagekomen.

Toen De Goelagarchipel in 1974 in het westen verscheen, was Solzjenitsyn vooral bekend als schrijver van de in de Chroejstsjov-periode gepubliceerde kampnovelle Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj, van romans als Kankerpaviljoen en In de eerste cirkel, van een aantal samizdat-pamfletten en als winnaar van de Nobelprijs. Hij was een held. Zijn latere levensweg, zijn onvrijwillige ballingschap in Amerika, zijn woede over de westerse decadentie, zijn ongenuanceerde politieke uitspraken, zijn Russisch-nationalistische uitvallen, zijn pathetische terugkeer naar Rusland na de val van het communisme en vervolgens zijn aan dovemansoren gerichte archaïsche profetieën op de Russische televisie maakten het moeilijk hem op dat voetstuk te laten staan.

Wat is De Goelagarchipel voor boek? Het is een encyclopedie van het kampbestaan, zij het met zeer breedsprakige lemma's. Het is geschiedenis, sociologie, filosofie, psychologie, antropologie. Naast de geschiedenis van de kampen van 1918 tot 1956 bevat het systeemkritiek, persoonlijke memoires, portretten van bijzondere kampbewoners. Het behandelt morele vraagstukken van collaboratie en verzet. Het gaat over de taal van de terreur, de terminologie van de repressie. Maar het geeft ook nuchtere beschrijvingen van procedures: arrestatie, ondervraging, transport, dwangarbeid, honger, uitputting, dood, opstand. Het schetst de psychologie van de homo sovieticus, van de kampbewaarder, van de verklikker, van de eeuwige uitbreker, en niet te vergeten van de blatnye, de criminelen in de kampen die zich graag door de kampleiding lieten gebruiken om de `politieken' eronder te houden. Het bevat antropologische essays over `Gevangenen als natie', over de kampleiding, over de omwonenden van de kampen. Maar ook verbazingwekkende gedachten over de vrijheid van de kampbewoner (onder het Siberische motto `Dalsje ne sosjljoet' verder weg kunnen ze je toch niet sturen).

Solzjenitsyn polemiseert ook. Zo twist hij met die andere beroemde Russische kampschrijver Varlam Sjalamov, die ervan overtuigd was dat een voormalig kampbewoner niets menselijks meer in zich draagt. Nee, zegt Solzjenitsyn: `Is het niet juister te zeggen dat geen enkel kamp diegenen kan verpesten, die een solide kern hebben, en niet de beklagenswaardige ideologie aanhangen dat de mens voor het geluk geschapen is, een ideologie die er door de eerste dreun met de maatstok van de werkverdelers wordt uitgeslagen?' Typisch Solzjenitsyn: bikkelhard in zijn oordeel, genadeloos blijven geloven in de goedheid van de mens. Sympathiek? Nou nee, 't is meer survival of the fittest.

Solzjenitsyn verkondigt wel meer opmerkelijks. Zo vraagt hij begrip voor de collaborateurs die in het Vlasov-leger met de Duitsers tegen de Russen vochten. Een standpunt waarvoor hij een paar jaar eerder de kogel had kunnen krijgen. `Deze mensen, die aan den lijve 24 jaar communistisch geluk hadden mogen ondervinden, wisten al in 1941 wat nog niemand in de wereld wist: dat er op de hele planeet en in de hele geschiedenis geen kwaadaardiger, bloeddorstiger en tegelijkertijd hypocrieter regime is geweest dan het bolsjewistische, dat zich `sovjet' heeft genoemd.'

Een van de indrukwekkendste gedeeltes van het boek is de uitgebreide beschrijving van de opstand in het kamp Kengir in 1955. Aan het eind van de jaren veertig maakte Stalin volgens Solzjenitsyn een grote fout door de politieke gevangenen af te zonderen van de criminelen, ja soms zelfs onder te brengen in speciale kampen. Daardoor verbeterde de sfeer in die kampen spectaculair en nam de vrijheidsdrang toe. Het verzet begon met het vermoorden van verklikkers en eindigde via hongerstakingen uiteindelijk bij een echte opstand waar de kampleiding, zeker zo kort na de dood van de dictator, geen raad mee wist. Solzjenitsyn nam zelf deel aan de opstand in Kengir. Het is een huiveringwekkend verhaal over de moed der wanhoop. De opstand werd tenslotte met grof geweld, met tanks en vliegtuigen, onderdrukt en er vielen 700 doden. Maar voor Solzjenitsyn was de les duidelijk: de macht van het geweer is beperkt. Met echt verzet wisten de autoriteiten geen raad. `Spoedig, spoedig zal in Rusland het tijdperk van de glasnost (openbaarheid) aanbreken', schrijft hij aan het eind van zijn boek. Het zou nog vijftien jaar duren, maar hij heeft gelijk gekregen.

Solzjenitsyn liet een exemplaar van De Goelagarchipel naar het buitenland smokkelen. Toen de KGB in Leningrad een kopie ontdekte, gaf hij de opdracht het boek onmiddellijk te publiceren. Het eerste deel verscheen in januari 1974 in Parijs, talloze vertalingen volgden. Het sloeg in als een bom. Het Kremlin was razend en ontketende een felle perscampagne. Solzjenitsyn wachtte op zijn arrestatie en veroordeling, maar dat durfden de autoriteiten niet meer aan met een Nobelprijswinnaar. Uit de Solzjenitsyn-biografie van D.M. Thomas weten we dat in het Politburo vooral KGB-chef Andropov aandrong op uitzetting. En zo geschiedde en zo begon zijn tweede ballingschap.

Solzjenitsyn werd ook in het westen bewonderd en verguisd. Het linkse kamp de communistische partijen voorop hadden het heel moeilijk met zijn radicale standpunten. Vooral in Frankrijk laaide het debat fel op. Nu het communisme lang en breed dood en begraven is, komt het over als onvoorstelbare arrogantie: vanuit je veilige leunstoel iemand betichten van ongenuanceerdheid over een systeem, dat hem bijna om zeep heeft geholpen.

Solzjenitsyn heeft het zijn westerse critici wel heel makkelijk gemaakt door zich uit te laten over dingen waar hij niks van wist. Hij had er verstandiger aan gedaan zich bij zijn onderwerp te houden. Maar welke vreemde standpunten Solzjenitsyn in zijn latere leven ook verkondigd heeft, hoeveel onleesbare geschiedwerken hij nog heeft afgescheiden, De Goelagarchipel staat als een huis. Het is een monument voor talloos veel miljoenen.

De schrijver heeft de Sovjet-Unie overleefd, iets wat hij niet voor mogelijk had gehouden. Als oude patriarch is hij teruggekeerd naar een land dat geen enkele boodschap meer aan hem heeft. Met een schok is hij tot de conclusie gekomen dat zijn geliefde Rusland nu het slechtste van twee systemen combineert: corruptie, wetteloosheid, decadentie, materialisme, oppervlakkigheid.

Maar wie de wreedheid, de bandeloosheid, het ontbreken van iedere rechtszekerheid in het Rusland van nu wil begrijpen, doet er goed aan zich door De Goelag heen te worstelen. Het is een mateloos boek over een mateloos onderwerp. 't Is zoals Jozef Brodski zei: `We kunnen alleen maar blij zijn dat Solzjenitsyn genoeg esthetische intuïtie had hoe paradoxaal dat ook mag lijken om het `gevoel voor matiging' te negeren dat de negentiende-eeuwse literatuur in ons gekweekt heeft.'

Alexander Solzjenitsyn: De Goelag Archipel, 1918-1956: Proeve van een artistieke studie, 2 dln., De Boekerij 1974/75. Uitverkocht.

    • Laura Starink