Zwitsers Lapland achter de duinen

Denemarken dat is Nederland, maar dan anders. Dat is de gangbare mening over dit deel van Noord-Europa. Maar wat valt er werkelijk te zien? Deel 19 in de serie wandelen in Europa.

De naam doet anders vermoeden, maar het water van de zee bij Blåvand is niet blauw. Dat stoort de meeste strandbezoekers nauwelijks: rond de uiterste westpunt van Denemarken schuifelen ze met tientallen langs de vloedlijn en loeren naar het natte zand in de hoop een stukje barnsteen te vinden. Een jaar of vijftig miljoen geleden produceerden de bossen rond de Oostzee zoveel hars dat er nog steeds genoeg wordt gevonden om de etalages van rissen toeristenwinkels te vullen met fossiele dennentranen in de vorm van alles wat verkoopt.

Minstens zo nuttig om te vinden is de pijl die aangeeft waar de lange-afstandswandelroute die Jutland frå kyst till kyst doorsnijdt, landinwaarts duikt. Na zes kilometer zandstrand en geen barnsteen ben je daar helemaal aan toe, zeker als je pas een paar uur van je leven in Denemarken hebt doorgebracht en je al een paar decennia vermoedt dat het hier zoveel op Nederland lijkt dat 900 kilometer in de auto de moeite niet echt loont.

Achter een duinenrij van niets, meer een hoge strandwal, ligt de eerste verrassing: een kwelderachtig moeras van een kilometer breed. Gr⊘nningen zegt een bord, precies als ik hetzelfde denk. En aan de landzijde volgen ineens echte, hoge duinen, maar dan grotendeels begroeid met hei en spaarzaam bebouwd met houten buitens in prachtige pasteltinten van beter gesitueerde Denen. Minder mooi en nog veel groter zijn de twee bunkers waar de Duitsers in 1944 vier twintig meter lange kanonnen wilden installeren om een geallieerde landing bij Esbjerg te verhinderen. Gelukkig waren de plaatselijke bruggen te zwak en kwam het 38 centimeter geschut nooit verder dan een spoorstation in de buurt.

De landschappelijke essentie is inmiddels duidelijk: vlak bij elkaar liggen hier terreinsoorten die ook bij ons zijn te vinden, alleen zijn ze on-Nederlands gerangschikt. Op zichzelf misschien niet om heel hard ⊘h en åh te roepen, maar wel sereen, en verrassend gearrangeerd. Dat blijft zo. Na twee kilometer duinen krijg je ineens het gevoel door de Kroondomeinen te lopen, over lange rechte zandwegen te midden van uitgestrekte, wildrijke bossen, waar de hund i snor moet blijven en brandfare dreigt. Een uur later, juist als het wat saai dreigt te worden, klimt het pad steil omhoog, houdt het bos abrupt op en kijk je vanaf een heuveltop uit over een brede strook met gras en koeien zoals rond Gouda, met de uiterste noordpunt van de Deense Waddenzee in de ene verte en glooiende heuvels in een andere. Jutland is net Nederland, maar dan krachtig door elkaar geschud, met een Zwitserse mate van bebording en netheid, en een afwezigheid van publiek die aan Lapland doet denken. Ganzen trekken baantjes door de leegte, een beek bruist ongehinderd zeewaarts.

Op waterniveau slingert het pad verder langs de Bocht van Ho, veel feilloos geplaatste routepaaltjes en rustige, hondvrije boerenerven, terwijl de straaljager van de Deense luchtmacht een keer laag overkomt en veel windmolens milieuvriendelijk staan te zoeven. De zon schijnt, niemand doet me wat, het landschap wel, en de geneugten van het Turisthotellet in Oksb⊘l en de Oksb⊘l Pizza Bar zijn niet ver meer.

Het barnsteenmuseum en de barnsteenwinkels zijn nog dicht als ik 's ochtends het stadje weer uitwandel. Ook dicht is de monumentale, eenzame kerk van Janderup, die al in beeld kwam toen het daarheen nog een uur gaans was, door de rietvelden langs de Varde Å. Gebarentaal is wereldtaal, een lachende grafdelver haalt ergens een sleutel vandaan en laat me even later alleen in de negen eeuwen oude stilte. Herinneringen aan Nederland vervagen te midden van donkere, stenen engelen met doodshoofden en zeisen, een vrolijk gekleurd netgewelf en een preekstoel als het kraaiennest van een oud schip.

Twaalf kilometer verder dient het gave garnizoensstadje Varde als voorlopig eindpunt; voor de resterende honderd kilometer tot de Oostzee en een nader onderzoek naar de verschillen tussen Deneland en Nedermarken ontbreekt even de tijd. Het leven is kort, haast is geboden. De bus terug naar Blåvand vertrekt gelukkig op de seconde nauwkeurig van het spoorstation van Oksb⊘l en de dame achter het stuur spreekt gelukkig vloeiend gebarentaal. Gigabytes aan landschappelijke informatie flitsen voorbij, veel te snel om te downloaden. Het is niet anders. Bij de excursie naar de Efteling die de VVV van Varde jaarlijks organiseert, gaan ze ook met de bus, hoeveel leerzamer lopen ook zou zijn.

    • Michiel Hegener