Scènes uit een huwelijk

Toen in 1994 in Den Haag het paarse experiment begon, was het vooral ook voor de pers wennen. Het eerste kabinet-Kok zat er nog maar een maand, of diverse media constateerden reeds dat de kersverse coalitie van PvdA, VVD en D66 zwaar verdeeld was. De directe aanleiding voor die conclusie vormden de algemene beschouwingen waar de fractievoorzitters van de regeringspartijen zich in hun vooruitblikken verschillend hadden uitgelaten over de eventuele besteding van - ook toen al - toekomstige meevallers. Ruzie, strijd, spanning waren de trefwoorden in de krantenkoppen van die tijd.

Het is dus allemaal wel meegevallen. De paarse partners hebben het op een redelijk ontspannen wijze de reguliere vier jaar met elkaar uitgehouden en na de verkiezingen van 1998 hun samenzijn geprolongeerd. En de pers? Die heeft geleerd en reageert tegenwoordig veel minder opgewonden op verschillen van mening binnen de coalitie. Dat kan ook haast niet anders want de verdeeldheid binnen paars is inmiddels een dermate gewoon gegeven geworden dat het nauwelijks nog nieuws is.

Een huwelijk uit liefde is het natuurlijk nooit geweest. Dat hoeft ook niet. Inherent aan een coalitiekabinet is dat er tussen de verschillende partijen zakelijke afspraken worden gemaakt. Zodra er sprake is van echte liefde, hoeft een coalitie niet meer uit verschillende partijen te bestaan, want kan er worden samengesmolten. Vier jaar paars heeft Nederland echter geen paarse partij opgeleverd. Paars bestaat kortom bij de gratie van de verschillende onderliggende kleurschakeringen.

Dat neemt niet weg dat een coalitie behalve een meerderheid ook wel iets gemeenschappelijks moet hebben. Nu is dat in het huidige geontideologiseerde tijdsgewricht aanzienlijk eenvoudiger dan vroeger. Onoverbrugbare programmatische tegenstellingen zijn er nauwelijks meer. Iedereen kan met iedereen. De gemeenschappelijkheid van paars is dan ook negatief bepaald. De paarse meerwaarde bestaat uit het feit dat het een kabinet zonder CDA is. Het beëindigen van de christen-democratische suprematie in het landsbestuur vormde de basis van het verstandshuwelijk van PvdA, VVD en D66.

Maar nu Nederland enigszins gewend is geraakt aan een regering zonder CDA, valt ook die bestaansreden van de coalitie weg. En zo ontwikkelt paars zich langzaam maar zeker tot een uitgedoofd huwelijk waar de partners elkaar niets meer te melden hebben. Want, wat hebben ze, afgezien van het pluche, eigenlijk nog met elkaar? Neem de oogst van de afgelopen weken. Verdeeldheid over het toekomstig financieel beleid, verdeeldheid over het huurbeleid, verdeeldheid over het vervoersbeleid, verdeeldheid over de Wadden, verdeeldheid over het mestbeleid, verdeeldheid over het asielbeleid, verdeeldheid over het Europees defensiebeleid, verdeeldheid over het privatiseringsbeleid. Met plakband en elastiek worden de uiteenlopende standpunten in steeds schimmiger compromisteksten bij elkaar gehouden. Het kan allemaal omdat de economische hoogconjunctuur verblindt. Zolang pijnlijke keuzes niet gemaakt hoeven te worden, danwel kunnen worden uitgesteld, kan een coalitie oneindig veel tegenstellingen trotseren. Maar als de reden van bestaan van het kabinet alleen nog maar is dat Nederland de millenniumwisseling en het Europees voetbalkampioenschap niet met een demissionair kabinet tegemoet kan treden, zoals hier en daar cynisch wordt opgemerkt, is toch wel de kritische fase bereikt.

Gelukkig voor paars is er dan nu het conflict met de sociale partners over de uitvoering van de sociale zekerheid. Een boze buitenwereld leidt altijd tot een solidariserend effect binnen. Maar tegelijk is het voor de coalitie een lastig conflict. De PvdA kan zich geen al te langdurige ruzie met de vakbeweging veroorloven, zo heeft het recente verleden bewezen. En voor de VVD geldt dat deze partij heel wat heeft uit te leggen aan haar achterban naar aanleiding van het plotseling verlaten van het stokpaardje van de privatisering van de sociale zekerheid. Naarmate partijen zich ongemakkelijker gaan voelen, zal dit ook weer zijn uitwerking op de coalitie als geheel hebben.

Het verschil met vroeger is dat niemand zich nog echt lijkt op te winden over de interne coalitieverhoudingen. Het paarse vuur dooft. Nou en? Kennelijk doet de coalitiesamenstelling er niet meer zoveel toe. Het gemak waarop over anders samengestelde coalities wordt gesproken, is wat dit betreft tekenend. In 1979 wist toenmalig VVD-staatssecretaris Neelie Kroes van Verkeer en Waterstaat nog een fikse politieke rel te ontketenen, toen zij `onthulde' dat coalitiepartner CDA gesprekken met de oppositionele PvdA overwoog over toekomstige regeringssamenwerking. Nu kijkt niemand er meer van op als niet de minste PvdA-politici openlijk preluderen op een samenwerking met het CDA.

Het zegt veel over het veranderende politieke klimaat. Nog even en het CDA telt weer volledig mee in Den Haag. Verhalen als zou het CDA nog niet op orde zijn om weer te kunnen regeren, passen in de categorie politieke prietpraat. In Nederland is een partij rijp om te regeren, zodra een coalitiepartner daar een belang bij heeft. Oftewel: als de PvdA straks teveel kiezers aan GroenLinks verliest, zal deze partij terwille van het sociale gezicht - als dat getalsmatig mogelijk is - binnen een mum van tijd de VVD als coalitiepartner inwisselen voor het CDA.

Overspel? Als er sprake zou zijn van een huwelijk wel. Maar dat huwelijk is nu juist het probleem.

    • Mark Kranenburg