Kosmonaut

Anatoli Artsybarski was een halfgod in 1991, als commandant van het ruimteschip MIR. Nu ontvangt hij me in een heetgestookt kantoortje achter een kerk, met drie secretaresses die hun nagels vijlen en een astronautje van delftsblauw op zijn bureau. Hij wil de kreupele MIR redden, tot eer en glorie van het Russische vaderland.

Terwijl Artsybarski zijn rondjes om de aarde draaide smolt zijn eigen land, de Sovjet-Unie, onder hem weg. In sommige republieken meldde zich nog maar een kwart van de rekruten voor het Sovjetleger. Op 19 augustus 1991 werd, via een staatsgreep, een laatste poging gedaan om de Sovjet-Unie te behouden. De Russische president Boris Jeltsin `redde' de democratie. Toen de kosmonauten hoorden dat de Baltische staten zelfstandig waren geworden keken ze naar beneden, naar de eeuwig blauwe aarde, en grapten dat de drie landen duidelijk een andere kleur hadden gekregen. Op 8 december werd het GOS opgericht van `onafhankelijke staten', op 25 december trad Gorbatsjov af. Hij was de president van een land dat niet meer bestond.

Artsybarski was nog net op tijd terug, maar zijn collega Serge Krikaljov bleef vijf maanden extra in de ruimte hangen, omdat, naar men zei, er geen land meer was dat hem terug kon halen. ,,Onzin, journalistenpraat'', gromt Artsybarski. ,,Er waren enkel wat technische problemen.'' Hij wil alleen praten over zijn `volksinzameling tot het behoud van het ruimtestation MIR', over `de revitalisering van het prestige van de Russische kosmonauten', over `het stimuleren van prijzen, diploma's en medailles', over de verloren trots.

    • Geert Mak