CDA moet zich helder uitspreken over grondbeleid

Sinds de Tweede Wereldoorlog stuitten drie PvdA-voorstellen inzake het grondbeleid op verzet van de confessionelen. Nu minister Pronk het grondbeleid weer op de agenda heeft gezet, is het aan het CDA met heldere en ondubbelzinnige standopunten te komen, meent Adri Duivesteijn.

Minister Jan Pronk van VROM zette onlangs het grondbeleid opnieuw op de politieke agenda. Meteen erna deed hij de oproep: `Houd je mond over de grond'. Daarmee bedoelde hij dat de opvattingen en verhoudingen binnen de coalitie niet moeten worden gepolariseerd en dat het grondbeleid rationeel en vanuit de vraagstukken van de dagelijkse praktijk moet worden benaderd.

De Partij van de Arbeid heeft sinds de Tweede Wereldoorlog drie pogingen gedaan om een nieuw, sociaal en rechtvaardig grondbeleid te initiëren. Eerst was dat met het voorstel voor de wet vervreemding landbouwgronden (Mansholt) in het kabinet-Drees (1956-1958). De tweede keer ging het om de wet speculatiebelasting, een wijziging van de onteigeningswet – gebruikswaarde versus (utilitaire) verkeerswaarde – en de invoering van het voorkeursrecht voor gemeenten (Samkalden) in kabinet Cals-Vondeling (1965-1966). De derde keer betrof het een wijziging van de onteigeningswet - utilitaire gebruikswaarde, negatieve ontwikkelingsschade – en opnieuw een voorkeursrecht van gemeenten (Den Uyl-Van Agt) in het kabinet den Uyl (1973-1977). Alle drie de keren bleken de voorstellen politiek explosief; alle drie keren waren het de confessionele partijen die zich distantieerden van een fundamentele oplossing, en dus beleefden alle drie de kabinetten een kabinetscrisis waarin het grondbeleid direct of indirect een hoofdrol speelde.

De geschiedenis van het grondbeleid is binnen de Nederlandse politiek met veel sentiment omgeven. Het lijkt heroïsch maar tegelijkertijd is het ook een illustratie van mislukkingen en teleurstellingen binnen de progressieve politiek. In essentie zijn de gebreken van het grondbeleid hierdoor tot op de dag van vandaag zichtbaar gebleven. In de praktijk worden hun effecten steeds scherper. De onteigeningswetgeving is hopeloos verouderd en tandeloos door zijn waardebepaling, het voorkeursrecht voor gemeente heeft de rechterlijke toets niet kunnen doorstaan. Effectieve anti-speculatiemaatregelen ontbreken en er is geen baatbelasting dan wel baatheffing. Nederland is een wild-west waar het gaat om de grond. Degenen met geld zijn in staat monopolieposities op te bouwen. De burger maar ook de rijksoverheid staat hierdoor buitenspel.

Dit heeft fnuikende gevolgen voor de kwaliteit van de woningbouw, het bedreigt nu zelfs de mogelijkheden van de herstructurering van de agrarische sector en de uitbreiding van het areaal natuurgebieden begint onbetaalbaar te worden. Het is genoegzaam bekend dat speculanten en projectontwikkelaars in een vroegtijdig stadium grond binnen Vinex-locaties hebben opgekocht. Per saldo hebben zij thans op deze locatie een monopoliepositie ingenomen waarbij onderlinge concurrentie zorgvuldig wordt vermeden. Meer en meer `nieuwe grootgrondbezitters' bepalen hoe Nederland er in de 21e eeuw uit zal gaan zien, met het grondeigendom dwongen zij de gemeenten tot het zogenoemde `bouwclaimmodel'. De machteloze gemeente moest toestaan hoe zo'n 80 procent van de Vinex-woningbouwproductie zal gaan bestaan uit een bulkproductie van rijtjeshuizen vaak met beukmaten van circa 5.20 bij 9 meter diep. Het is productietechnisch de goedkoopste woning ooit na de Tweede Wereldoorlog gebouwd. Ze gaan door de krapte op de woningmarkt als broodjes over de toonbank voor prijzen die niets meer te maken hebben met de werkelijke kosten. Het kabinet-Den Uyl moest vallen omdat zij onder meer een grondbeleid voorstond dat dit onmogelijk had moeten maken. Het mocht allemaal niet van het CDA. Het zou de belangen van hun achterban, het groene front schade doen.

Binnen de agrarische sector ziet een telkens wisselende groep boeren de kans om als medespelers in het speculatiespel in één klap rijk te worden door de verkoop van hun grond. Dat diezelfde marktsituatie schadelijk is voor de meerderheid van hun collega's die hun boerenbedrijf gewoon willen voortzetten, verdwijnt naar de achtergrond. Het ontbreken van een goed grondbeleid is ook hier meer en meer een belemmering voor de noodzakelijke herstructurering van de sector. Maar zelfs de uitvoering van de ecologische hoofdstructuur is door het ontbreken van een rechtvaardig en effectief grondbeleid onbetaalbaar aan het worden.

Dagelijks wordt grote financiële schade geleden door zowel de overheid als de individuele burger. Een enkeling profiteert, ieder ander betaalt. Het is duidelijk dat dringend iets aan het nu te onmachtige instrumentarium moet worden gedaan. Maar is het niet eerst nodig dat het CDA zich verantwoordt voor de sleutelrol die de partij en haar voorgangers KVP, ARP en CHU een eeuw lang heeft gespeeld? Wat waren haar motieven bij hij het tegenhouden van verbeteringen van de wetgeving? Het is jammer dat geen parlementair onderzoek kan worden gehouden naar die geschiedenis van christen-democratische weerstand tegen vernieuwing van de onteigeningswet. Is het een juiste veronderstelling dat het CDA zich jarenlang heeft laten leiden door de belangen van een beperkte achterban van individuele en institutionele grootgrondbezitters, bijvoorbeeld van het `groene front'?

Tot nu toe houdt het CDA zichzelf zorgvuldig buiten beeld. Dat is die nog oude en vertrouwde CDA-cultuur van het `tussen de standpunten inzitten'. Christen-democraten nemen niet snel een standpunt in, maar wachten liever af tot anderen zich hebben blootgegeven en bepalen dan waar ze staan. Daarbij staan de eigen, vaak institutionele belangen van het middenveld, centraal. Een recent voorbeeld van die cultuur van afwachten is de defensienota, waarbij het CDA pas als laatste fractie met een standpunt kwam. Ook inzake het grondbeleid zal de partij haar aard waarschijnlijk niet verloochenen. Het CDA zal geen helder standpunt innemen, noch initiatiefvoorstellen indienen. Grondpolitiek raakt daarvoor te zeer de positie van dominante belangen in de eigen achterban, dat wil zeggen van een beperkt aantal opinieleiders.

Maar het credo van Jan Pronk `houd je mond over de grond' mag niet voor het CDA gelden. Immers, de PvdA mag, met alle bittere ervaringen in het achterhoofd, juist van het CDA verwachten dat het de eigen historische verantwoordelijkheid voor het gevoerde wanbeleid erkent en nu vroegtijdig komt met wèl heldere en ondubbelzinnige standpunten. Het zou dan ook van grote moed getuigen indien het CDA juist op dit punt met initiatiefvoorstellen komt die laten zien dat de partij een werkelijke oplossing van de grondproblematiek voorstaat. Het grondbeleid kan met recht worden gezien als een testcase van de vernieuwing van het CDA.

Wat nu wanneer zo'n antwoord uitblijft? Dan is het goed om te weten dat PvdA en VVD in de afgelopen jaren ruime ervaring hebben opgedaan in het vinden van overeenstemming over zaken waarover ze het op het eerste gezicht niet eens kùnnen zijn. Vaak is dat een uitruil van belangen en wensen. Het nieuwe belastingsysteem is er een perfect voorbeeld van. Ook inzake de grondpolitiek is ongetwijfeld zo'n ruil te bedenken. Voor het CDA is het grondbeleid daarom niet minder dan een lakmoesproef. Slaagt deze partij niet voor deze test, dan is dat voor de PvdA een heel goede reden om door te gaan met het uitruilen van belangen met de VVD. Slaagt de partij wel, dan kan het christen-democratische gedachtegoed in één klap van de negentiende in de eenentwintigste eeuw worden getild. En dat zou een felicitatie waard zijn.

Adri Duivesteijn is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie.

    • Adri Duivesteijn