Besmette toekomst

'Blanke mensen hebben geen aids. Meenden we. Hoewel we uit zuidelijk Afrika komen, waar de ziekte veel voorkomt, dachten we bij aids alleen aan de zwarten in het bos. We kenden geen blanken die daaraan leden. Dus toen onze zoon niet herstelde van een infectie, en de kinderarts opperde dat hij aids zou kunnen hebben, antwoordden we dat dat onmogelijk was.'' Helen White voert haar zoon David, twee jaar oud, een papje waarin medicijnen zijn opgelost. David heeft het hoogste woord, kokhalst wat, maar slikt uiteindelijk de witte brij geduldig weg. Hij is het gewend: vier keer per dag, op vaste tijden, krijgt hij medicijnen om het aidsvirus in zijn bloed te onderdrukken. Helen heeft haar werktijden eraan aangepast.

Vijf jaar geleden emigreerde ze met haar man John naar Nederland. De slechte economische vooruitzichten in Afrika deden hen besluiten hier een nieuw leven op te bouwen. Een huis en werk waren snel gevonden. Twee jaar later werd Helen zwanger. ,,Ik voelde me prima, was nooit ziek. Een verloskundige begeleidde de zwangerschap. Die heeft niet over een aidstest gesproken. Dat was niet aan de orde.''

Op Helens eigen verzoek had de bevalling plaats in het ziekenhuis. ,,Daar heb ik een bloedtransfusie gekregen, omdat ik veel bloed verloor en de placenta niet wilde komen. Die is onder narcose verwijderd. De eerste weken na de bevalling verliepen normaal. Ik wilde per se borstvoeding geven. Dat was immers beter voor het kind. Toen ik daar na een tijdje mee stopte, begon de ellende. David dronk de fles niet leeg, huilde veel, sliep slecht en viel af. Na een paar weken begon hij erg te hoesten.'' Er volgden een rondgang langs dokters en zorgverleners, een rits medische onderzoeken en herhaalde opnames in het ziekenhuis. ,,Niemand wist meer wat te doen'', vertelt John. ,,We werden er moedeloos van.''

Uiteindelijk werd David verwezen naar een academisch ziekenhuis. Daar bleek dat hij cytomegalie doormaakte, een virusinfectie die vaak voorkomt bij aidspatiënten. De behandelende arts stelde op een vrijdagmiddag voor om een aidstest te doen. Die was positief.

John: ,,Dat was heel schokkend. Het was hoogzomer, maar ik had het ineens stervenskoud, ik moest bijna kotsen. Ik dacht: het is einde verhaal. Binnen een paar jaar is het afgelopen.'' Dat de kinderarts iets had gezegd over de mogelijkheid om David te behandelen was niet tot hen doorgedrongen.

Helen: ,,We wisten niet beter of aids was een dodelijke ziekte. We zouden ons pensioen stoppen, de spaarrekening opdoeken en onze spullen vast weggeven. Het was een heel emotioneel weekend, totdat er zondagmiddag voor ons een aidsconsulent van het ziekenhuis werd opgetrommeld. Die gaf ons weer hoop.''

Omdat David rond de geboorte was besmet, was duidelijk dat ook Helen de ziekte had, al liet de testuitslag van John en Helen nog een week op zich wachten. John bleek niet besmet te zijn. ,,Daar was ik boos om'', zegt hij. ,,Ik vond het zo oneerlijk dat Helen het wel had en ik niet, en was bang dat ik alles kwijt zou raken, mijn vrouw en mijn kind. Ik zie zaterdags altijd grote gezinnen met de auto boodschappen doen, en dacht dat dat nooit voor mij weggelegd zou zijn. Het familiegeluk was mij ontnomen.''

De eerste periode nadat de diagnose was gesteld, was ,,een rotperiode''. De medicijnen hadden veel bijwerkingen. David wilde niet eten en verbleef regelmatig in het ziekenhuis. Helen heeft daardoor een aantal maanden niet kunnen werken.

Pas toen David andere medicijnen kreeg, verbeterde de situatie. John: ,,Inmiddels leiden we weer een normaal gezinsleven. We moeten 's middags bijtijds David zijn medicijnen geven, maar verder kunnen we alles doen wat we willen.''

Helen gebruikt viermaal per dag medicijnen en heeft haar baan aangehouden. David gaat naar een oppas. Noch Helens werkgever, noch de oppas is op de hoogte van de aard van hun ziekte.

,,Alleen onze naaste familie weet ervan'', vertelt Helen, ,,en de bedrijfsarts. Verder niemand.'' Hoe het moet als David bij de oppas valt en een kapotte knie heeft? ,,De kans op besmetting is erg klein'', zegt John. ,,Daarom hebben we besloten het niet te vertellen. We zijn er niet toe verplicht, en we willen het risico niet nemen dat we erop aangekeken worden. Mensen hebben onvoldoende informatie over aids, we wisten er immers zelf ook niets over. Bij aids hebben de meesten toch een beeld van verslaafden of van mensen met een heel wild verleden.''

Helen en John White behoren tot een risicogroep wegens hun verblijf in Afrika. Toch waren ze zich daar niet van bewust.

,,Het is me een raadsel hoe ik aan het virus gekomen ben'', zegt Helen. ,,Aanvankelijk dachten we dat het door de bloedtransfusie na de bevalling kwam, maar de donor was negatief, dus dat is niet waarschijnlijk. Ik heb twee eerdere partners gehad. Van de laatste zou ik het gekregen kunnen hebben, maar dan ben ik al zeventien jaar met het virus besmet zonder ooit iets gemerkt te hebben. John is in huis degene die vaak kwaaltjes heeft, ik ben altijd kerngezond geweest.''

Wroeging heeft ze niet. ,,Het is niet terug te draaien, dat accepteren we. Ik heb zeker een jaar of vijf, zes te leven. Of de medicijnen dan nog werkzaam zijn, is niet bekend. Ik ga ervan uit dat ze daarna wel iets nieuws gevonden hebben. Ik ben optimistisch.''

Toch zou het leven van de Whites anders verlopen zijn als Helen in de zwangerschap was getest. David was dan hoogstwaarschijnlijk niet besmet geraakt. John: ,,Maar hij ontwikkelt zich gelukkig goed. We denken zelfs aan een tweede kind. Met de nieuwe medicijnen hoeft de baby niet besmet te raken. Als Helen en David het dan onverhoopt niet redden, heb ik in elk geval iets.''

Om redenen van privacy zijn de namen van Helen, John en David gefingeerd.