Van Dycks visie op zijn collega's

De hoogbejaarde en halfblind geworden schilderes Sofonisba Anguissola, kreeg in haar huis in Palermo in 1624 bezoek van Anthonie van Dyck. De nog jonge Antwerpse schilder heeft de ontmoeting vastgelegd op een pagina in zijn schets- en notitieboek. Van Dyck was onder de indruk van de vriendelijkheid en gevatheid van de meer dan negentig jaar oude Anguissola, en in het vlot geschetste portretje dat zijn aantekeningen vergezelt, gaf hij gehoor aan haar aanbeveling om de rimpels in haar gezicht niet te veel te laten opvallen.

Blijkbaar was Van Dyck (1599-1641) geïnteresseerd in zowel de persoonlijkheid als het uiterlijk van ervaren vakgenoten. Die belangstelling bleef, ook toen hijzelf een gevierd kunstenaar was geworden. Ze kreeg vorm in een reeks prenten waarvan het overgrote deel kunstenaars voorstelt. De serie, getiteld Iconographie, vormt het hoogtepunt van een tentoonstelling over Van Dycks weinig bekende activiteit als prentmaker en de grafiek die naar zijn werk is gemaakt. Eerder dit jaar was de expositie in Antwerpen een onderdeel van de manifestaties rondom de vierhonderdste geboortedag van de kunstenaar, nu is ze te zien in het Rijksprentenkabinet.

De kunstenaarsportretten in de Iconographie tonen vooral schilders die in de tijd dat ze werden geportretteerd de status van grote meester hadden bereikt. De meesten waren dan ook een generatie ouder dan Van Dyck. Een mooi voorbeeld is Pieter Brueghel de jonge, die is voorgesteld als een eerbiedwaardig man in de herfst van zijn leven, met een kalend voorhoofd, een volle baard en een gewaad dat doet denken aan de Romeinse toga. Verwijzingen naar zijn beroep ontbreken, waardoor Brueghel, net als de meeste andere kunstenaars in de reeks, meer weg heeft van een geleerde dan van een schilder.

Brueghel zelf zou misschien een andersoortig portret hebben geprefereerd. Er is wel verondersteld dat de schilder zijn uiterlijk modelleerde naar dat van zijn beroemde vader. Aan de forse neus, die hij van hem moet hebben geërfd, hoefde hij weinig te doen, maar ook zijn baard heeft veel weg van de gezichtsbeharing van Pieter Bruegel de oude. In een eerste tekening die Van Dyck maakte voor zijn prent van Brueghel, neigt diens pose naar een profiel-aanzicht, precies zoals de oude Pieter was afgebeeld in een wijdverspreide gravure. Uiteindelijk koos Van Dyck ervoor een andere tekening, met een meer frontale pose, te gebruiken voor zijn prent.

Deze reconstructies van getekende en geschilderde voorbeelden, en de verschillende stadia van ontstaan van de prenten, maken de tentoonstelling aantrekkelijk. Het is fascinerend te volgen hoe Van Dyck, die als prentmaker was begonnen met het reproduceren van composities van zijn leermeester Rubens, later de supervisie voerde over de prentproductie in zijn eigen atelier.

Voor het portret van de schilder Willem de Vos bijvoorbeeld, hangen liefst vijf stadia naast elkaar. Eerst maakte Van Dyck een krijttekening, op basis waarvan hijzelf aan een ets begon. Het hoofd van de geportretteerde is daarin behoorlijk uitgewerkt, het bovenlichaam slechts in summiere lijnen neergezet. Van de twee exemplaren die van deze proefdruk bekend zijn, is er één maagdelijk gebleven, terwijl de andere door de meester is voorzien van wassingen in bruine inkt, om de graveur die het werk moest afmaken een idee te geven van het beoogde resultaat. Een exemplaar van de tweede staat laat zien hoe een anonieme graveur die aanwijzingen min of meer heeft opgevolgd. Een laatste staat ten slotte, toont het voltooide portret, inclusief opschrift. Tussen de nogal grove lijnen van kleding en achtergrond, is nog steeds de door Van Dyck geëtste kop te herkennen.

In prenten als deze voerde Van Dyck de essentie van het portret – het hoofd van de geportretteerde – zelf uit en liet hij de afwerking over aan medewerkers. Maar het mooiste werk in de tentoonstelling is een ets waarin niemand anders dan hijzelf de hand heeft gehad. Dit schitterende zelfportret toont alleen het hoofd van de kunstenaar die de beschouwer, over zijn schouder, indringend aankijkt. Het gezicht kent een subtiel spel van licht en schaduw, de suggestie van draaiing wordt versterkt door de lichtjes wapperende haren en de opwippende punten van de elegante snor. In dergelijke prenten betoont de meesterschilder zich onverwacht bedreven in de etstechniek.

Het hoofd in het zelfportret is bovenin het verder goeddeels lege blad geplaatst, waardoor je zou verwachten dat ook dit een proefdruk van een nog onvoltooide etsplaat is. Toch blijkt deze prent in een behoorlijke oplage te zijn afgedrukt, wat erop wijst dat Van Dyck de voorstelling als voltooid beschouwde. Het lijkt alsof de reden voor de relatief geringe omvang van zijn grafisch oeuvre besloten ligt in dat gevoel voor een merkwaardig modern aandoend `non-finito'.

Tentoonstelling: Antoon van Dyck en de prentkunst. Rijksmuseum Amsterdam, prentenkabinet. T/m 9/1 (dag. 10-17u, 1/1 gesloten). Catalogus (Uitg. Blondé Artprinting), 400 blz., ƒ79,50.

    • Bram de Klerck