Tsjetsjenen: Holland, help ons!

De moeilijkste, maar gezien de Russische luchtacties waarschijnlijk minst onveilige van alle vluchtwegen voor de Tsjetsjenen is de weg naar Georgië: ze moeten de Kaukasus over. Velen verdwalen en vriezen dood. Diegenen die het wel redden, worden maar mondjesmaat geholpen.

De zeeman met de weelderige baard wordt naar voren geduwd als ,,een van de taaisten''. Met een buideltje spullen op zijn rug en een ebbenhouten wandelstok is hij de Kaukasus overgestoken – te voet.

,,Jeltsin had bouwmaterialen beloofd, maar hij stuurde alleen maar meer raketten'', zegt de Tsjetsjeen. Vroeger in Vladivostok had hij op de Sovjet-koopvaardijvloot gevaren, maar de laatste jaren zat hij thuis in Grozny, in een kapotgeschoten flat. In de nacht van 2 op 3 november was hij met een Kamaz-vrachtwagen tot aan de grens met Georgië gevlucht. Vanaf een winderige bergpas was hij gaan lopen, twee etmalen lang, tot hij in het bergdorp Doeisi aankwam.

De 50-jarige zeeman had geluk: kort na zijn tocht sneeuwde zijn looproute in. Drie jongens te paard, die na hem kwamen, waren hopeloos verdwaald. Hun doodgevroren lichamen zijn inmiddels door een Georgische helikopterpiloot geborgen. ,,En zij zullen niet de laatsten zijn'', voorspelt de Ethiopiër Mamo van de VN-hulporganisatie UNHCR die aan het eindpunt van de vluchtroute een veldpost opzet. ,,Zolang er oorlog woedt zullen er wanhopigen zijn die de oversteek proberen te wagen.''

Vanuit de laadbak van twee vrachtwagens deelt hij matrassen en dekens uit, kookgerei, emmers, potkachels, waspoeder, groene zeep. De vluchtelingen, tweeduizend in getal, verdringen zich op het drassige veldje bij de dorpskliniek, zwaaiend met hun refugee card. Het is een milde herfstdag; de wijnranken die zich om de veranda's van de huizen slingeren hebben hun blad nog niet verloren. In de verte tekent zich een schier onneembare richel van sneeuwkappen af, met pieken van vierduizend meter en hoger.

De verhalen die de ontheemden van gene zijde met zich meedragen zijn ronduit gruwelijk. Doeisi, een dorp van Kisti (Georgische Tsjetsjenen), herbergt ze in het schooltje, de kliniek en het gemeentehuis. Vijf weeskinderen zijn bij een boerenfamilie ondergebracht. ,,Hun moeder is onderweg gedood bij een luchtaanval'', vertellen de omstanders.

,,Wij zijn ook gebombardeerd'', zeggen de zusjes Chedda (14) en Medi (11). Ze stonden bij een bushalte aan de rand van Grozny, met hun vader en moeder en hun hebben en houden. Ineens kwam er een vliegtuig in duikvlucht op hen af. ,,Het was ontzettend eng'', zegt Chedda. ,,We gilden'', zegt Medi. Er was een garage in de buurt, waar ze schuilden. ,,We hoorden drie knallen. Even later kwam er een mevrouw binnen die onder het bloed zat.''

Een moeder met een baby van twee maanden valt de zusjes in de rede. Ze heeft ook iets te vertellen, maar na twee zinnen stokt haar stem, ze draait zich om en loopt weg. ,,Kunt u mijn dochter Esmee bellen in Moskou'', smeekt een vrouw met een rode hoofddoek. Maar ze is het telefoonnummer vergeten. Wat was ook weer haar nummer? Met veel moeite herinnert ze het zich. ,,Zeg haar: je moeder leeft en is gezond. Ze is veilig in Georgië aangekomen.''

Een andere vrouw vertelt handenwringend dat haar bergdorp aan de grens met Dagestan niet meer bestaat. Nochtsjkiloj heette het, en het wordt al sinds augustus met stalinorgels en katjoesja-rakketen bewerkt. Op 4 november hadden de laatste bewoners besloten te vluchten ,,omdat er niets meer te verdedigen viel. Alle huizen waren verwoest, er lagen lijken op straat maar die durfde niemand meer te begraven. Te gevaarlijk.'' `s Nachts waren ze weggeslopen en na twee etmalen hadden ze Georgië bereikt.

,,Ze noemen ons bandieten! Maar zien wij er soms uit als bandieten?'' Mansjoera Hamzatova, een zwaarlijvige vrouw op rubber overschoenen, spreidt haar armen in een gebaar van machteloosheid. Ze is textielverkoopster en stond op de markt van Grozny toen daar, eind oktober, zomaar uit het niets drie rakketen insloegen. ,,Ik werd met mijn kraampje en al omver geblazen, en toen ik opkrabbelde zag ik overal doden en gewonden. Ik heb de uiteengereten lichamen van mijn collega's gezien.'' Voor de 45-jarige Mansjoera was dat genoeg. Ze heeft de restjes van haar leven bij elkaar gegrist en in twee weekendtassen gepropt. Het fotomapje, wat kleren, geld, de plastic zak met paspoorten. Met haar dochter Madina aan de hand was ze vertrokken, en nu woont ze al weken in een afgelegen bergdorp in Georgië.

Ze laat haar onderkomen zien: kamer 8 in de lokale kliniek, een vertrek van twee bij vier. Er staan smalle ziekenhuisbedden en rechtop tegen de muur een matras van de UNHCR. Op een houtfornuis bij het raam is een meisje brood aan het bakken. Kamer 8 biedt onderdak aan tien vluchtelingen. Gezeten op de rand van haar bed laat Mansjoera haar foto's zien. Eerst die van haar vader, met een typisch Tsjetsjeense muts van lamsvacht en een borst vol Sovjet-medailles. Een veteraan uit de Tweede Wereldoorlog. ,,Mijn vader heeft de Russen verdedigd door te vechten tegen Hitler. Later heb ik me wel eens afgevraagd: als hij dat niet had gedaan, en de Duitsers hadden de oorlog gewonnen, waren we dan niet beter af geweest?''

Ondanks zijn verdiensten was vader Hamzatov net als het hele Tsjetsjeense volk door Stalin in veewagons naar de steppen van Kazachstan gedeporteerd. Mansjoera was in 1954 in de verbanning geboren, en als driejarig kind tijdens de dooi onder Chroesjtsjov mee terug verhuisd naar Gronzy. In de eerste Tsjetsjeens-Russische oorlog in 1995 waren haar vader en jongste broer bij een nachtelijk bombardement gedood: terwijl ze lagen te slapen.

Mansjoera`s man is in Grozny achtergebleven. De foto waarop hij met een kalasjinikov in de aanslag poseert, moffelt ze gauw weg. Haar oogappel is Madina, haar 19-jarige, mondain geklede dochter. ,,Kijk hier zie je haar op het San Marco-plein in Venetië, tussen de duiven.''

Madina is danseres in het 40-koppige ensemble Weinach (Moederland). Het gezelschap was op tournee in Italië en keerde op 4 augustus terug, luttele dagen voor het begin van de tweede Tsjetsjeens-Russische oorlog. Op de foto's zie je Madina zwierig dansen, in een folkloristische baljurk met gouden kwastjes. Ze lacht naar de gondelier in de grachten van Venetië. Twee maanden later, is ze met haar refugee card op zak naar het stadje Achmeta gaan lopen op zoek naar iets te eten.

In de deuropening van kamer 8 meldt zich een ad hoc comité van vluchtelingen, met een petitie ,,aan het Hollandse volk''. ,,De meubel- annex verzenmaker Zeoedi Doerijev draagt voor: ,,Holland, die kinderdroom die we kennen van school, wij houden van u. Wij waarderen u en smeken u: heb mededogen met ons. Veroordeel ons niet, heb begrip, er zijn vele rechtvaardigen onder ons. Vind alstublieft medicijnen voor ons, voedsel en onderdak.''

,,We hebben geen aardappelen'', legt de dichter uit. En geen bakolie. ,,En ik heb zo'n trek in gebakken aardappeltjes. We leven op brood en thee, dat is niet vol te houden.'' De zusjes Chedda en Medi haasten zich om nog wat te zeggen: ,,Wij hebben zelfs geen thee. Van UNHCR hebben ze alleen pijnstillers gekregen.'' Medi laat het zakje pillen zien. ,,Maximaal vier per dag, staat erop.

    • Frank Westerman