Mannesmann-zaak is zegen voor ondernemers

Vijandige overnames vernietigen de ondernemingscultuur'', zei bondskanselier Schröder afgelopen weekeinde in een veroordeling van het vijandige bod dat het Britse telecom-concern Vodafone heeft gedaan op zijn Duitse concurrent Mannesmann.

Duitsland is geschrokken. Dat Duitse ondernemingen vrijelijk gebruikmaken van het open Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme om de markt daar af te romen was prettig. Daimler kon uitbreiden met Chrysler, BMW met Rolls Royce, Deutsche Bank en Dresdner Bank kregen met Morgan Grenfell en Kleinwort Benson voet aan de grond in de City. Mannesmann zelf, dat expansie in vaste telefonie uitbreidde tot mobiele telefonie, liet een samenwerking met het Britse Vodafone Airtouch vallen om toe te slaan met een overname van een van Vodafone's grootste concurrenten op de Britse markt, Orange. Maar nu het tegenovergestelde gebeurt, is het huis te klein. Het vijandige bod dat Vodafone als reactie deed op Mannesmann ,,vernietigt de ondernemingscultuur''.

Vraag is tegenover wie het bod nu eigenlijk vijandig is. Niet tegenover de aandeelhouders van Mannesmann. Zij krijgen een bod voor hun neus waarvoor ze kunnen kiezen of niet, en in zijn expansie heeft Mannesmann zodanig geleund op zijn beursnotering dat bijna tweederde van de aandeelhouders al niet meer uit Duitsland komt.

Voor de werknemers van Mannesmann dan? Die werken al in een hybride onderneming, die de afgelopen tien jaar is omgebouwd van een staalbedrijf tot een communicatiegigant. Het ligt voor de hand dat ergens in de toekomst de traditionele activiteiten, die de rendementsontwikkeling steeds zichtbaarder zouden afremmen, toch zouden zijn afgestoten, waarna Mannesmann zich beter op zijn nieuwe kerncompetentie zou kunnen richten. Het bod van Vodafone versnelt die ontwikkeling hooguit. Dat de Britten de botte bijl zouden hanteren, ligt niet voor de hand. Elke onderneming heeft rekening te houden met lokale wetten en gebruiken, en die verzekeren in Duitsland werknemers van een fatsoenlijke behandeling.

De vijandigheid betreft in feite slechts twee andere geadresseerden. De eerste is het bestuur van Mannesmann zelf. Ondernemingsbestuurders komen niet zo hoog op de ladder omdat zij het beste voorhebben met de wereld. Ze komen daar vooral omdat zij ambitieus zijn. Bij fusie- en overname-onderhandelingen gaat heel wat tijd en energie op aan het verdelen van de bestuursplaatsen en competenties van de personen die er bij betrokken zijn. Niet zelden ketst een fusie daarop af. De nieuwe raad van bestuur van een gefuseerde onderneming puilt bij aanvang niet zelden uit, omdat elk mannetje zijn plek heeft weten te bedingen. Een vijandig bod verschilt van een vriendelijk bod omdat de bieder de aandeelhouders rechtstreeks benadert, buiten het bestuur om. Dat bestuur beschikt niet langer over het eigen lot.

De tweede geadresseerde van de vijandigheid is minder concreet. Het betreft hier emoties die lopen van een idee van onfatsoen tot bedrijfstrots tot gevoelens van nationaal belang. Het is inderdaad niet volgens de etiquette om tot een vijandige overname over te gaan. Maar er moet geen karikatuur van worden gemaakt. Bij vijandige overnames wordt vaak gedacht aan megalomane Texaanse miljardairs of meedogenloze investment bankers die bedrijven opkopen en ze nietsontziend demonteren. Maar de overnamepoging van Vodafone speelt zich niet af in de virtuele, financiële economie. Het is een reële poging, gedaan vanuit bedrijfseconomische overwegingen.

Ook bedrijfstrots speelt een rol. De werknemers willen niet dat `hun' Mannesmann wordt uitgeleverd aan Britse rovers. Maar een concern dat in tien jaar tijd goeddeels bij elkaar is gekocht, kan nauwelijks een werkelijk eigen identiteit hebben. Het is in dit stadium hooguit nog een geconstrueerde gemeenschap.

En dan zijn er nog de nationale overwegingen. Sommige ondernemingen worden beschouwd als `strategisch' in de meest brede zin van het woord. Maar door schaalvergroting is dit strategische concept steeds moeilijker te handhaven. Kleine landen als Nederland merken dat als eerste. Niet alleen de verkoop van nutsbedrijven aan grote buitenlandse ondernemingen zijn hiervan het voorbeeld, veelzeggender is de de facto overname dit voorjaar van Hoogovens door British Steel.

Naast alle rationaliteit is daarbij vaak een flinke dosis nationaal gevoel in het geding. Al bij vriendelijke overnames speelt dit een grote rol. De overname van het nationale symbool Fokker door het Duitse DASA was in naam vriendelijk, maar werd in de publieke opinie eerder als uiterst vijandig ervaren. In de zaak-Mannesmann dreigt, mede door toedoen van uitlatingen van bondskanselier Schröder, het beperkte strategische belang van Mannesmann te worden vermengd met een gevoeld nationaal belang. Dat is gevaarlijk. In Groot-Brittannië zou het een reactie kunnen losmaken op de vrijheid waarmee het continentale bedrijfsleven zich sinds jaar en dag kan inkopen in de Britse markt.

Het siert het bestuur van Mannesmann dat het zelf de nationale kaart niet speelt. De kern van de zaak blijft dat Mannesmann zich met de concentratie op telecommunicatie heeft begeven in een van de meest expanderende, dynamische en winstgevende markten van dit moment. Dat het spel daar harder wordt gespeeld was te voorzien.

Ook andere `strategische' sectoren dan de telecommunicatie zullen in de naaste toekomst niet ontkomen aan een rigoureuze schaalvergroting. Daarvoor is een grotere grensoverschrijdende bewegingsvrijheid op fusie- en overnamegebied noodzakelijk. Het heeft – en dat geldt ook voor Nederland – de dichtgetimmerde Rijnlandse onderneming altijd vrijgestaan naar hartelust over te nemen in Groot-Brittannië en de VS. Vriendelijk, maar dan wel in de wetenschap dat er hardere, onvriendelijke mogelijkheden zijn. Nog minder dan Nederland is Duitsland gewend aan het tegengestelde.

Zo blijft de nationale markt geslotener voor buitenlandse investeerders dan zou hoeven. Dat frustreert de verdere herschikking van de Europese economie, een sector die voor de toekomst van het grootste belang is. Als dat de ondernemingscultuur is die naar Schröders zeggen nu dreigt te worden vernietigd, dan is de vijandige overnamepoging van Vodafone eerder een zegen dan een vloek.

Maarten Schinkel is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Maarten Schinkel