Weg uit het doolhof

FLEXIBILITEIT KAN de huidige bewindslieden van het ministerie van Sociale Zaken niet worden ontzegd. Zo overtuigd als minister De Vries en zijn staatssecretaris Hoogervorst ruim een half jaar geleden nog waren van de effectiviteit van het door hen ontworpen nieuwe uitvoeringssysteem voor de sociale zekerheid, zoveel afstand nemen ze van datzelfde systeem in hun jongste voorstellen. Ze erkennen nu dat hun oorspronkelijke plan om de uitvoering van de werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen te verdelen over publieke en private instellingen slechts zou leiden tot meer bureaucratie, afnemende klantvriendelijkheid, hogere uitvoeringskosten, en kostbare reorganisaties. Vandaar dat De Vries en Hoogervorst een diametraal andere oplossing voorstellen.

Een tijdige bekering is vanzelfsprekend nooit weg; zeker niet als het gaat om een zeer complexe materie als de uitvoering van de sociale zekerheid. Aan de andere kant: het gemak waarmee van inzicht wordt gewisseld doet wel het ergste vrezen voor de onderbouwing van de voorstellen. De roep om een andere uitvoeringsstructuur is niet uit de lucht komen vallen. Er ging in 1993 een uitgebreide parlementaire enquête aan vooraf, nadat kort daarvoor het failliet van de WAO op hardhandige wijze ook tot de politiek was doorgedrongen.

Vervolgens is in alle denkbare gremia – en dat zijn er zeer veel in Nederland – over een nieuwe opzet van de sociale zekerheid nagedacht. Dit resulteerde in maart van dit jaar in de nota Structuur uitvoering Werk en Inkomen. De daarin ontvouwde gedachten over een `hybride' stelsel waren slechts een uitbreiding van het socialezekerheidsdoolhof. Dat wordt nu dus ook toegegeven door de politieke leiding van het ministerie van Sociale Zaken. Maar de vraag blijft wel hoe een departement met zoveel expertise eerder dit jaar tot zo'n wangedrocht is kunnen komen.

HET ALTERNATIEF dat De Vries en Hoogervorst nu voorstellen en waarover zij vandaag in gesprek zouden gaan met de organisaties van werkgevers en werknemers, oogt beter werkbaar. Er is een duidelijke scheiding aangebracht tussen een publiek en een privaat deel. De uitvoering van de premie-inning, de toekenning van uitkeringen (de zogeheten claimbeoordeling), en het verzorgen van de uitkeringen komt in handen van één publiekrechtelijke organisatie. Voor de markt resteren slechts de reïntegratieactiviteiten. Deze kunnen worden uitgevoerd door reïntegratiebedrijven. De scherpe afbakening is een afwijking van het regeerakkoord waarin een veel groter deel was weggelegd voor de markt. Dat hiermee en passant afscheid wordt genomen van het zeer lang door de VVD beleden leerstuk van de volledige privatisering van de sociale zekerheid, is een politiek opmerkelijk feit. Het blijft curieus dat onder directe verantwoordelijkheid van staatssecretaris Hoogervorst (VVD) nu wordt geschreven dat ,,de uitvoering van de werknemersverzekeringen zich niet verdraagt met echte concurrentie''.

Het grote risico is dat het nu voorgestelde publieke Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen zal leiden tot een nieuwe uitkeringsmoloch dat geen enkele concurrentieprikkel kent. Maar tegelijkertijd is er het gegeven dat het beroep op de uitkeringen alleen maar kan worden verminderd als er sprake is van een actief reïntegratiebeleid. Dit komt wel in handen van de markt en zal dus te maken krijgen met concurrentie.

DE WINST VAN de voorstellen van De Vries en Hoogervorst is dat er eindelijk een heldere keuze is gemaakt. Maar of het werkelijk werkt zal moeten blijken. Daarvoor zijn er in de sociale zekerheid nu nog te veel verschillende belangen in het geding, zoals de afgelopen dagen al is gebleken. Niet voor niets is het terechte einddoel om daar nu juist verandering in aan te brengen. De plannen van de bewindslieden van Sociale Zaken zijn een goede stap in die richting.