`Te lang doorbehandelen leidt tot euthanasievraag'

Goede pijnbestrijding kan de vraag om euthanasie afremmen, zo hielden deskundigen uit de zorg de Tweede Kamer voor.

`De vraag om euthanasie is vaak een correctie op te lang doorbehandelen door artsen.' En: `De vraag om euthanasie verdwijnt bij een goede pijnbestrijding en bij het wegnemen van de angst en onzekerheid bij de terminale patiënt.'

Deze opvattingen waren verscheidene malen te horen op een hoorzitting gisteren in de Tweede Kamer over het wetsontwerp dat euthanasie en hulp bij zelfdoding onder een aantal voorwaarden niet langer strafbaar maakt.

De Kamer hoorde uiteenlopende partijen. Verpleeghuizen en daar werkzame artsen, verenigingen voor palliatieve zorg (pijnbestrijding) en hospices waar mensen hun laatste levensdagen kunnen slijten, verpleegkundigen, verscheidene artsenorganisaties en verenigingen die de mogelijkheden voor euthanasie willen verruimen of zich daar juist tegen verzetten.

De palliatieve zorg in Nederland is volgens hospice-directeur en oncoloog dr. N. Zylick `aan de maat', maar kan nog wel veel beter. Hij pleitte, net als anderen, voor het opnemen van palliatieve zorg in het basiscurriculum van de artsenopleiding. Medische faculteiten voelen daar niet voor omdat dan ook aangegeven moet worden welk onderdeel uit het al volle onderwijsprogramma moet worden geschrapt. Volgens de anesthesist en pijnbestrijder prof.dr. W.W.A. Zuurmond (Vrije Universiteit) geeft echter een kwart van de studenten aan in het onderwijs aandacht voor de terminale zorg node te missen. Tot dusver is alleen in de vervolgopleiding tot verpleeghuisarts sprake van volwassen aandacht voor palliatieve zorg.

De ministers Borst (Volksgezondheid) en Korthals (Justitie) willen met hun wetsvoorstel onder meer de bestaande praktijken rond het levenseinde ordenen. Bovendien willen ze artsen stimuleren om zich beter aan de wet te houden door hen meer dan nu euthanasie te laten melden. Zij hopen dat een groter aantal artsen euthanasie zal melden als deze medische handeling (net als hulp bij zelfdoding) onder een aantal voorwaarden niet langer strafbaar zal zijn.

Het voorstel om jeugdigen vanaf hun twaalfde jaar recht te geven om euthanasie te vragen, ook als dat tegen de wens van de ouders ingaat, kreeg tijdens de hoorzitting betrekkelijk weinig aandacht. Volgens kinderarts D. van Bruggen, die enkele gereformeerde kerken vertegenwoordigde, zijn ernstig zieke kinderen ,,op twaalfjarige leeftijd vaak al veel volwassener dan menig geslaagde zakenman''. Net als kinderoncoloog prof.dr. P.H. Voûte meent zij dat er sprake is van `falend medisch handelen' als er juist dan verschil van mening ontstaat tussen kind en ouders. Volgens Van Bruggen en Voûte komt het in de praktijk nauwelijks voor dat ouders de wens van het kind niet respecteren. Maar Voûte vindt toch dat het recht van het kind in de wet moet worden vastgelegd. Hij voorziet conflicten als ook ernstig zieke allochtone kinderen voor de keuze komen te staan en dan te maken hebben met ouders met andere cultureel bepaalde opvattingen.

Voûte, maar ook de gezondheidsjurist prof.mr. J. Legemaate, vinden het juist dat de positie van het kind in de wet wordt geregeld. Volgens de bestaande wet kan het kind ook al beslissen of het een behandeling wil ondergaan. Als het afziet van een behandeling betekent dit vaak al een keuze voor de dood, aldus Voûte. Legemaate ziet in de wilsverklaring uit de nieuwe wet een stimulans voor de patiënt goed na te denken over de behandelingen die hem worden aangeboden. Want, om met Voûte en Van Bruggen te spreken, de vraag om euthanasie is voor een belangrijk deel ook het gevolg van te lang medisch doorbehandelen.