Ook echte helden verdienen prijs

en jaar of twee geleden was ik met een kleine honderd andere gasten aanwezig bij de eerstesteenlegging voor de restauratie van het Olympisch Stadion. Een triomfantelijk moment voor de energieke stadioncommissaris Piet Kranenberg, die zich het vuur uit de sloffen had gelopen voor het behoud van het stadion en nu de grote dag beleefde dat er een begin werd gemaakt met de herschepping van een adembenemend mooi gebouw. Het was ook een bijzondere dag voor Fanny Blankers-Koen, die zich bij de maquette van het restauratieplan een nieuw elegant atletiekstadion mocht dromen. Ze viel mij onder de prominente gasten vooral op doordat ze zich niet als een prominent gedroeg en geen belangstelling toeliet voor de vitaliteit die ze uitstraalde. In plaats daarvan toonde ze met een natuurlijk gemak dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan door de lang niet meer gebruikte grasmat en sintelbaan aan een particuliere inspectie te onderwerpen. Ze leek me nog gretig genoeg voor een wedstrijd op de 100 meter en als een official had geroepen: ,,Naar uw plaatsen!'' had ze het waarschijnlijk gedaan. Eeuwige jeugd – geen cliché, maar levende werkelijkheid!

Fanny Blankers-Koen behoorde tot de lang vereerde iconen in mijn verzameling Olympische Logboeken, die alle verhuizingen sinds mijn jeugd hebben overleefd. Ze was het favoriete inplakplaatje in de boeken van Jan Cottaar en Klaas Peereboom, in een tijd toen de andere jongens in mijn straat zich toelegden op het verzamelen van Ava Gardners en Hedy Lamarrs. Haar uitverkiezing tot de beste atlete van de eeuw vervult mij als ex-vereerder met een ouderwets soort trots, waartoe ik mijzelf al lang niet meer in staat achtte. 1948: een mooie gepatineerde herinnering aan een jaar waarin heel Nederland zich voor de Cineac verdrong om Fanny Blankers-Koen op al haar afstanden op de Olympische Spelen in Londen te zien winnen. Het pleit voor de intelligentie van de Internationale Amateur Atletiek Federatie-jury dat de even nuchtere als pretentieloze Amsterdamse ster van vijftig jaar geleden de voorrang heeft gekregen boven de met zoveel meer publiciteit omgeven snelheidsdiva's uit latere jaren. De hemel sta haar bij dat zij deze week niet door tien televisieploegen tegelijk wordt belegerd om haar de vraag te stellen hoe ze in godsnaam al die medailles in 1948 kon winnen zonder stimulerende middelen!

Hoe verdiend de erepalm die Fanny Blankers-Koen in Monte Carlo in ontvangst heeft genomen ook wezen mag (ook als ik geen Nederlander was, zou ik haar hebben voorgedragen), toch zou het verrukkelijk zijn als we de laatste maand van het jaar verschoond zouden mogen blijven van de vele onzalige nominaties die de afgelopen weken de voorpagina's hebben gesierd. De Londense Times, die aan het begin van deze eeuw veruit de betrouwbaarste krant van de wereld was, maar nu grossiert in echtscheidingsnieuws en voor de beschaving voorgoed verloren is, spant de kroon met haar millennium-ranglijsten, die regelmatig als groot nieuws gebracht worden. Ze variëren, zonder enige hiërarchie, van de mens van de eeuw (Winston Churchill) tot de kostbaarheden van de eeuw (de Britse kroonjuwelen) en de uitvinding van de eeuw (Wonderbra). Voor The Times is geen nominatie te gek en het zou me niet verbazen als ze daar ook nog met de koeienmelker en de schoonmoeder van de eeuw voor de dag komen.

Te vrezen valt echter dat die stroom voorlopig nog niet is opgedroogd en dat het nog geruime tijd millenniumgoud zal regenen. In dat geval neem ik de vrijheid een eigen nominatie aanhangig te maken, in de hoop ergens nog een rechtvaardige en ongecommitteerde jury met gevoel voor proportie te kunnen vinden.

Mijn kandidaat heeft zijn sporen verdiend in de staatkunde en in de krijgsmacht, twee categorieën die schromelijk zijn ondervertegenwoordigd in deze olympiade van de volksgunst. Maar als alles mag meedingen, mogen de politiek en het militaire bedrijf natuurlijk niet achterblijven. Ik zou gemakkelijk tien populaire politici kunnen noemen die allemaal voor een prijs in aanmerking komen, maar die zijn bij of na hun leven al ruimschoots met eerbewijzen bedacht. Mijn kandidaat heeft in zijn tijd geen populaire successen behaald en is ook anderszins nooit toegejuicht. Toch is hij een held geweest – zelfs een echte – die bij de tweede politionele actie in Indonesië zijn mannetje stond, toen het er toe deed. Tegenover het boven hem gestelde gezag hield hij zijn rug recht en weigerde hij twee orders uit te voeren om achtereenvolgens een stad op Java te bezetten en een dorp in brand te steken. Hij maakte zich welbewust aan dienstweigering schuldig, omdat hij die opdrachten in strijd achtte met het landoorlogsreglement en het volkerenrecht. Hij was niet alleen een man van weinig woorden en grote principes, maar ook een militair van hoge rang. Hij was een kolonel die volgens velen al lang luitenant-generaal had moeten zijn, maar om zijn rechtlijnigheid door zijn superieuren zo lang aan het lijntje werd gehouden, dat hij er ten slotte de brui aan gaf en zich door PvdA-fractievoorzitter Jaap Burger liet overhalen om in 1956 lid van de Tweede Kamer te worden. Ziedaar mijn nominatie: de kolonel Wiebe Wierda (eens kolonel, altijd kolonel), tot begin jaren zeventig militair specialist in de PvdA-fractie, volgens de politieke wandelgangentaal van die dagen een rechtse havik, maar in werkelijkheid een man uit één stuk en tot in het merg van zijn botten onafhankelijk. De jury moet zich haasten als zij hem nog eren wil, want in tegenstelling tot Fanny Blankers-Koen is hij niet bedacht met de eeuwige jeugd. Wierda zou de laatste zijn om er de lol van in te zien, want hij is wars van eerbewijzen en nog meer van grote woorden. Af en toe bezoek ik hem om over zijn leven te praten. Een man van 91 jaar, nog net zo lang (1.93 m) en kaarsrecht als in de tijd toen hij het commando over zijn brigade voerde, alleen trekt hij soms met zijn been, als gevolg van een aanraking met een landmijn in Indonesië. Wat kan ik nog meer van hem zeggen? Honderd procent een Fries, een rechtvaardige, maar vooral een held. Althans de mijne.

    • Harry van Wijnen