Nieuwe omroepbijdrage bedreigt bestel

Door de fiscalisering van de omroepbijdrage krijgt de staat een te grote greep op de publieke omroep, meent J.L.H. Bardoel.

Het voorstel kwam op kousenvoeten: de `fiscalisering' van de omroepbijdrage. Eerst in een paar partijprogramma's, vervolgens via een enkel zinnetje in regeerakkoord en troonrede, en deze week wordt het wetsvoorstel in de Kamer behandeld. Maar veel aandacht, laat staan serieuze discussie, is er niet aan besteed. En dat terwijl er naast praktische voordelen grote principiële bezwaren tegen het voorstel aan te voeren zijn.

Het voorstel om de publieke omroep niet langer uit de Omroepbijdrage te betalen, maar rechtstreeks uit de belastingen, heeft stellig de charme van de eenvoud. Het bespaart het gedoe van aparte inning door de Dienst Omroepbijdragen. Wezenlijker is dat onderbrenging bij de algemene middelen het afnemende draagvlak voor een verplichte omroepbijdrage ondervangt in een tijdperk van steeds meer (quasi-)gratis aanbod. Ten slotte wordt de omroepbijdrage via de belastingen alsnog progressief, terwijl nu iedereen evenveel betaalt.

Het verwachte voordeel op de inningskosten – 60 miljoen – werd in het regeerakkoord alvast bestemd voor de jeugdzorg. De praktische tegenwerping vanuit de omroep en de Dienst Omroepbijdragen, als zou de huidige inning buitengewoon effectief en efficiënt zijn en de verwachte besparing dus nogal aanvechtbaar, hielp niet.

De veel wezenlijkere, principiële bezwaren hebben tot dusverre weinig aandacht gekregen. Het belangrijkste bezwaar is simpelweg dat de fiscalisering van de omroepbijdrage, zeker in combinatie met de nieuwe Concessiewet, de greep van de staat op de omroep al te groot dreigt te maken. Het gevaar bestaat dat de publieke omroep in de toekomst onderwerp wordt van politieke discussie, en dat dan de toewijzing van subsidiegelden aan de omroep wordt afgewogen tegen de belangen van andere, steevast nooddruftiger publieke voorzieningen. De jeugdzorg is in dit opzicht stellig niet uniek.

Natuurlijk bepaalt de politiek ook nu al de hoogte van de omroepbijdragen. Maar financiering van de publieke omroep uit de algemene middelen opent de weg naar verdergaande politieke bemoeienis. Het risico groeit dat de publieke omroep zich ontvankelijk gaat tonen – onder het motto `wie betaalt, bepaalt' – voor meer of minder uitdrukkelijk geuite wensen vanuit de politiek, ook op het vlak van de programmering.

Aan een publieke omroep met een oplopend Postbus 51-gehalte bestaat geen behoefte. Integendeel, in een voldragen democratie hoort een publiek massamedium – dat een platform biedt voor informatie, commentaar en kritiek – in volstrekte onafhankelijkheid te kunnen werken. Een goed functionerende openbaarheid bestaat slechts bij de gratie van een staatsvrije sfeer, waarin de communicatievrijheid kan gedijen.

Om deze redenen is in Duitsland en Frankrijk recentelijk besloten om vast te houden aan de omroepbijdrage als basis voor de financiering van de publieke omroep. Politieke invloed op de hoogte van de omroepfinanciering schaadt de programmavrijheid, oordeelde in 1995 het Bundesverfassungsgericht. En fiscalisering van de omroepbijdrage leidt op den duur tot verdamping van omroepgelden naar andere budgettaire knelpunten, oordeelde men onlangs in Frankrijk. Als Nederland wel deze weg kiest, maakt het zich tot uitzondering in Europa.

Nu lijken in ons land voornoemde risico's misschien minder reëel. Immers, onze publieke omroep kampt nog steeds meer met zijn versnipperd verleden dan met een teveel aan centrale sturing. En onze overheid heeft al evenmin een grote traditie in het programmatisch ringeloren van de publieke omroep. Bovendien zijn in het voorliggende wetsvoorstel allerlei zekerheden ingebouwd; zo wordt de aanspraak op de openbare middelen voorshands wettelijk verankerd.

Het blijft een probleem dat een eerste stap gezet wordt op een risicovolle weg. Wie bovendien alle bepalingen uit de binnenkort te behandelen Concessiewet op zich laat inwerken, ontwaart een wel buitengewoon bedillerige overheid, die haar traditionele afstandelijkheid lijkt te hebben afgeworpen.

`Raad van State vreest staatsomroep', zo kopte deze krant onlangs naar aanleiding van de `ernstige kritiek' van dit hoogste rechtsorgaan op het wetsvoorstel voor de Concessiewet. En dat terwijl allerlei voorstellen in de nieuwe wet en in het laatste meerjarenplan van de NOS nog wel een andere en beter begaanbare weg suggereren: een sterker samenwerkende publieke omroep die publiekelijk verantwoording aflegt voor zijn prestaties aan de samenleving, en niet in de eerste plaats aan de politiek. Nieuwe instrumenten als uitgewerkte beleidsplannen vooraf, openbare verantwoording aan het publiek en periodieke beoordeling door een onafhankelijke visitatiecommissie zijn hiervan bestanddelen. Rechtstreekse financiering door de overheid dreigt dit proces van meer verantwoording aan de samenleving naar het voorbeeld van de BBC te verstoren. Waarom nog rekenschap afleggen aan betalende burgers als voortaan politici de geldpotten beheren? Zelfs al zou staatssubsidie dankzij een benevolente overheid en wijze politici een veilige en comfortabele financieringsbron voor publieke omroep blijken, dan nog verdient een minder comfortabele, maar meer uitdagende relatie met de samenleving de voorkeur. En waarom nu kiezen voor een ouderwetse vorm van collectieve financiering als binnenkort dankzij nieuwe technologie allerlei nieuwe aanbiedings- en afrekeningsmogelijkheden ontstaan?

Gelet op alle risico's zou het goed zijn als de politiek zich nog eens afvraagt of de praktische voordelen – op korte termijn – wel opwegen tegen de principiële bezwaren en of ze een Europese Alleingang rechtvaardigen. Voor 60 miljoen ten behoeve van de jeugdzorg wordt wel erg veel overhoop gehaald, terwijl tegelijkertijd nog enkele miljarden aan meevallers op een bestemming wachten. In het slechtste geval is het resultaat dat we, nadat indertijd de private omroepen met huid en haar aan de commercie zijn overgeleverd, worden opgezadeld met een publieke omroep die te dicht tegen de staat aanschuurt. Een land waarvan de omroep deels door de markt en deels door de staat wordt gekoloniseerd, zal in de toekomst nog veel meer middelen voor jeugdzorg nodig hebben.

Dr. J.L.H. Bardoel is verbonden aan de afdeling Communicatiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam.

    • J.L.H. Bardoel