Niet wereldschokkend, maar toch...

Terwijl ik er een punt van maak om, zo enigszins mogelijk elke week, te kijken naar het literaire programma Bouillon de culture van Bernard Pivot op TV5 en ook, als ik tenminste het uur van uitzending weet, naar het Literarisches Quartett onder leiding van Marcel Reich-Ranicki op de Duitse televisie, moet ik bekennen dat ik een minder trouwe kijker ben van hun Nederlandse equivalenten.

Hoe komt dat? Is het snobisme? Behoor ik tot degenen die liever buitenlandse dan Nederlandse boeken lezen, ja voor de laatste hun neus een beetje ophalen? Dat geloof ik niet. De Nederlandse cultuur gaat mij, over 't algemeen, meer ter harte dan andere culturen.

Erover nadenkende, ben ik geneigd te geloven dat het meer ligt aan de kwaliteiten van de gespreksleider in die programma's. Pivot is van een aanstekelijk, soms bijna kinderlijk enthousiasme. Hij beantwoordt helemaal niet aan het beeld dat wij hebben van de arrogante Fransman. Reich-Ranicki is ongeëvenaard in zijn bijtend sarcasme. Het is net een duiveltje, een soort trol.

Zulke mensen hebben we niet in Nederland. Althans, ik heb ze nog niet gezien. Afgaande op wat ik van hem gezien heb – en dat is niet zo veel – vind ik Michaël Zeeman in Zeeman met boeken een redelijke, billijke gespreksleider (zo'n beetje als Bernard Rapp, die een tijdje Bernard Pivot vervangen heeft, maar spoedig weer van het scherm is weggehaald). Zijn programma is de moeite van het kijken waard, maar, zoals gezegd, ik ben er niet aan verslaafd.

Zaterdagmiddag – een uur waarop ik meestal niet voor de televisie ga zitten – viel ik er toevallig in. En ik bleef ernaar kijken, vooral omdat aangekondigd was dat er een boek in besproken zou worden dat ik net zelf gelezen had: De eeuw van mijn vader van Geert Mak, waarin de auteur het leven van zijn vader, die in 1899 geboren is en in 1980 overleed, beschrijft tegen de achtergrond van de geschiedenis van deze eeuw.

Michaël Zeemans drie gasten, eveneens literaire critici, waren nogal vernietigend over dat boek: nergens had de wereldgeschiedenis zich weerspiegeld in het leven van die brave gereformeerde dominee die Maks vader was geweest – behalve toen hij als gevangene van de Jappen ruim drie jaar aan de Birmaspoorweg moest werken. Daarna hervatte dat leven zijn bijna rimpelloze gang.

Er zit wel wat in die kritiek, maar we moeten niet vergeten dat voor Nederland, zoals de historicus M.C. Brands heeft betoogd in zijn bijdrage aan het boekje Het belang van de Tweede Wereldoorlog, de twintigste eeuw eigenlijk pas in 1940 is begonnen. Anders dan de meeste landen om ons heen, had het in 1914-1918, toen het buiten de oorlog bleef, ,,zijn onschuld en naïveteit niet verloren''. En ook na 1945 bleef het nog lange tijd naar die onschuld terugverlangen. Een biografie van een Nederlander die tachtig jaar van die eeuw heeft meegemaakt, is alleen al daarom minder wereldschokkend.

Mijn kritiek op Maks boek is dus milder, maar ook om een andere reden: ik ben nu eenmaal verzot op levensbeschrijvingen, en dan vooral van mensen die, om zo te zeggen, naast mij gewoond hebben, maar tot een milieu behoorden waarmee het mijne niet of nauwelijks contact had. En dat was, in dit geval, het gereformeerde milieu. Daarom heb ik het boek soms zelfs gefascineerd gelezen.

Geert Mak lardeert de levensbeschrijving van zijn vader (en zijn moeder, moet ik erbij zeggen) met grote stukken vaderlandse en wereldgeschiedenis, teneinde een schets te geven van de grote achtergronden waartegen die levens zich afspeelden. Die stukken heb ik met minder belangstelling gelezen, maar dat komt omdat ik die achtergronden wel ken. Toch heb ik daarin ook wel eens een vondst gedaan.

Zo refereert Mak op een goed ogenblik aan de mij nog onbekende theorie van de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman, die de verklaring voor de holocaust niet uitsluitend zoekt in het antisemitisme. Nee, de holocaust draagt, door zijn grootschaligheid, ook de ,,vingerafdrukken van de moderniteit, van de maakbare maatschappij, van de perfecte bureaucratie''. Volgens Bauman is de holocaust ,,in verregaande mate door (een) rationele maatschappij voortgebracht''. Dus verre van een restant van de Middeleeuwen te zijn, was het een modern verschijnsel.

Ik moet bekennen dat, toen ik dat gelezen had, ik iets meer begrip begon te krijgen voor een uitspraak die Jean-Paul Sartre in een vraaggesprek had gedaan (Le Nouvel Observateur, 7 juli 1975): ,,[...] dacht u dat de farao's niet graag vijftig miljoen vijanden hadden vermoord! Ze deden dat alleen niet omdat ze het niet konden. Het feit dan men dat vandaag wel kan, zou bijna een reden kunnen vormen voor optimisme, want het is een aanwijzing dat er op een bepaald niveau vooruitgang is.''

Of dat nu een teken van vooruitgang genoemd moet worden is de vraag; maar een teken van moderniteit is het wel. Wat zou Harry Mulisch van deze uitspraak van Sartre vinden? In zijn dankwoord bij de aanvaarding van de Prix Jean Monnet de Littérature Européenne zei hij zaterdag dat hij bij elke historische gebeurtenis (zoals de val van de Muur of de oorlog in de Balkan) denkt: wat zou Sartre ervan denken? Nu, Sartre heeft altijd de verkeerde politieke keuzes gemaakt. Sommigen wisten dat toen al. Nu is daar geen twijfel meer over mogelijk.

In Maks tableaus van de wereldgeschiedenis staan wel een paar onnodige foutjes. Zo schrijft hij dat gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer na de capitulatie in 1942 naar Australië vluchtte. Dat is niet waar. Hij bleef ruim drie jaar, met zijn vrouw (dat wil zeggen: niet samen met zijn vrouw), gevangene van de Japanners. Wel stuurde hij zijn luitenant-g.g., H.J. van Mook, naar Australië.

De eerste Nederlandse fascist heette niet Jan van Baars, zoals Mak schrijft, maar Jan Baars. Victor Klemperer, wiens oorlogsdagboek een paar jaar geleden uitkwam, was niet hoogleraar filosofie in Dresden, maar hoogleraar (aan een technische hogeschool) filologie. Raymond Westerling was niet een ,,Indische jongen'', maar in Turkije geboren, in een familie die daar al drie generaties woonde. En dat koning Christiaan X tijdens de Duitse bezetting met een jodenster op door de straten van Kopenhagen reed, is, geloof ik, een fabel.

Deze foutjes kunnen gemakkelijk rechtgezet worden in een volgende druk, die ik het boek, ondanks de bezwaren van de literaire critici, toewens.

    • J.L. Heldring