Drijven op hulp

Rwanda heeft, vijf jaar na de genocide, een van de meest kunstmatige economieën ter wereld. Zonder buitenlandse hulp (en een enkele buiten- landse investeerder) zou Rwanda nergens zijn: een kwart van het nationaal inkomen wordt gegenereerd uit hulp. De export is klein. Hoe lang kan een dergelijk systeem staande blijven?

De gezusters Marie-Claire en Joy drijven een bescheiden comestibleswinkel onder de naam Family Unity Store in het centrum van Kigali. Ze spreken Engels in plaats van het lokale Afrikaanse Frans, waarmee hun afkomst meteen is verraden: Oeganda. ,,Ik ben een Rwandese, geboren in Oeganda'', corrigeert Marie-Claire. Ze behoort tot de groep van naar schatting meer dan een miljoen etnische Tutsi's die na de genocide op hun volksgenoten in Rwanda, vijf jaar geleden, uit de buurlanden Oeganda, Congo, Burundi en Tanzania de grens overtrokken. Joy legt uit wat hen dreef naar het verwoeste land: ,,Hier wonen onze mensen, we moeten hen steunen. Kigali is een dorp vergeleken bij Kampala. Daar was het leven veel beter, maar we blijven hier, nooit meer genocide.'' En omdat de zussen ergens van moeten leven hebben ze de winkel die ze in Kampala hadden hier voortgezet. Zij zijn het, met andere Oegandezen, Libanezen, Zuid-Afrikanen en een enkele Europeaan, die de handel en wandel van de Rwandese economie bepalen.

Aan de Place de l'Indépendance in Kigali heeft een Libanese familie net een nieuwe supermarkt geopend, klein en compact, met goederen en prijzen die slechts zijn weggelegd voor de gegoede bovenlaag. Het zijn vooral buitenlanders die er hun boodschappen komen doen. De producten komen voornamelijk uit het Midden-Oosten: de Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië. Maar de aanvoer uit Europa neemt toe. Marie-Claire en Joy hebben in hun `eenheidswinkel' zelfs een kleine selectie aan Europese drank. Voor de aanstaande jaarwisseling staan zes flessen Moët et Chandon champagne op het schap, die voor 18.000 Rwandese franc (50 Amerikaanse dollar) per stuk nog niet eens zo slecht zijn geprijsd, in een land waar vrijwel alle levensmiddelen worden ingevoerd en dus peperduur zijn.

Ook de Zuid-Afrikaanse ondernemers hebben de weg `omhoog' gevonden. Het mobiele telefoonbedrijf MTN uit Johannesburg ontdekte een gat in de Rwandese markt. De telefooncentrales bleken in hoge mate verouderd en functioneerden traag, mobiele telefonie via satellieten bleek de uitkomst. De Zuid-Afrikanen hebben in Rwanda een monopolie op de GSM-markt en dat legt hun met 10.000 abonnees geen windeieren. Elke zichzelf respecterende zakenman of -vrouw en regeringsfunctionaris heeft een Nokia of Siemens met een MTN-chip erin op zak. Sinds jaar en dag is Heineken een van de grootste investeerders in het land. Zoals gebruikelijk in Afrika brengt de Amsterdamse brouwer behalve het eigen merk ook lokale bieren op de markt. Heineken is evenwel niet onomstreden. Tijdens de periode na de genocide, tussen april en juli 1994, bleef het bedrijf doordraaien en als de Tutsi-interventie niet had plaatsgehad zou de brouwer, zo lijkt het, gewoon zijn doorgegaan. ,,Je kunt een dergelijke houding toch moeilijk anders omschrijven dan collaboratie", zegt een Nederlandse ondernemer in Kigali. Verder ligt Heineken regelmatig overhoop met de autoriteiten over het betalen van belastingen. Heineken gedraagt zich volgens Rwandese insiders aanmatigend door te redeneren dat de investeringen als zodanig al een belangrijke bijdrage aan de Rwandese staatskas zijn, waarom zou men dan ook nog belasting moeten betalen? Woordvoerder Laus Boots van Heineken in Kigali wenst geen enkel commentaar te geven op de bedrijfsactiviteiten in Rwanda.

Rwanda wordt nog altijd in alle opzichten overheerst door de rampzalige gebeurtenissen van vijf jaar geleden, toen de allang bestaande etnische tegenstellingen tussen de Hutu-meerderheid en een minderheid van Tutsi's op een verschrikkelijke manier aan de oppervlakte kwam. Militante Hutu-milities richtten een bloedbad aan onder de Tutsi's en gematigde Hutu's. Voor de tijd dat het duurde kent de slachting nauwelijks zijn weerga in de moderne geschiedenis. In luttele maanden werden tussen de 500.000 en een miljoen mensen over de kling gejaagd.

Een Tutsi-interventiemacht maakte met een invasie vanuit Oeganda een einde aan de terreur en de Tutsi's bepalen sindsdien het politieke en economische leven van Rwanda. Voor de economie van het land had de genocide ingrijpende gevolgen: in het jaar 1994 kromp het bruto binnenlands product met 57 procent. In de jaren daarna kroop het land geleidelijk weer omhoog, met name dankzij een golf van buitenlandse (sympathie-)hulp, maar Rwanda is nu met een inkomen van 250 dollar per hoofd van de bevolking per jaar nog altijd een van de armste landen ter wereld. De wilde moordpartij verwoestte uitgerekend de laag van de beter opgeleiden, waardoor het land qua onderwijs, bestuur en andere sectoren waarbij men het hoofd gebruikt, in feite weer van voren af aan kon beginnen. Rwanda richt zich voor zijn herstel met name op India, waar jaarlijks enige honderden knappe koppen een opleiding volgen. De opleidingskosten in India zijn in vergelijking met elders zeer goedkoop, terwijl het land door de Rwandese regering gezien wordt als lichtend voorbeeld. India kon zichzelf ook ooit niet bedruipen en is daar uiteindelijk toch in geslaagd.

Rwanda zucht onder een torenhoge schuld van 1,2 miljard dollar op een geschat nationaal inkomen van om en nabij de 1,9 miljard dollar. Alleen aan rente is Rwanda jaarlijks ruim 40 miljoen dollar kwijt en aan afbetaling komt men niet toe. Zonder buitenlandse hulp zou Rwanda nergens zijn: een kwart van het nationaal inkomen wordt gegenereerd uit hulp. Nederland is een van de grootste donoren met een jaarlijks budget tussen de 20 en 25 miljoen dollar. Ruwweg de helft van alles wat men in Rwanda verdient, komt, zo rekent een Duitse diplomaat voor, uit buitenlandse hulpbronnen, ,,en dat zal wel eens een keer ophouden, en dan?'' Voorlopig is er echter nog geen sprake van dat de hulp zal opdrogen. De door Tutsi's gedomineerde regering kan door het grote lijden uit 1994 nog altijd op ongekend veel sympathie rekenen in de wereld.

De grote vraag is hoe Rwanda ooit onafhankelijk kan worden van de suikerooms en zelf een duurzame economie kan opbouwen, want ook vóór de tumultueuze politieke gebeurtenissen stond het land er niet best voor. De economische problematiek van Rwanda is in feite slechts ten dele veroorzaakt door de onrust die al decennia in het land heerst. Sinds eind jaren zeventig slagen de Rwandezen er niet meer in voldoende voedsel te produceren voor zichzelf, dan wel een inkomenssubstitutie voor het tekort te vinden. De belangrijkste oorzaak is een combinatie van grote bevolkingsdichtheid – de hoogste van Afrika, met 255 inwoners per vierkante kilometer – en achterhaalde landbouwmethodes.

Pogingen in het midden van de jaren tachtig om over te schakelen van extensieve naar intensieve landbouw mislukten. Peter Vandor, de hoogste baas in Kigali van de FAO, de voedselorganisatie van de Verenigde Naties, zegt verbijsterd te zijn over het gebrek aan kennis onder de Rwandese boeren. ,,Van de meest elementaire zaken, zoals gewassenwisseling, hebben ze geen weet. Dat je aardappels maar één keer in de drie jaar op dezelfde grond kunt verbouwen is hier voor veel boeren een onbekend fenomeen."

Het gevolg is dat men te veel grond in het heuvelachtige land bebouwt en dit leidt weer tot erosie, een probleem dat wordt verergerd door de politieke omstandigheden: om de Hutu-extremisten zo weinig mogelijk gelegenheid tot schuilplaatsen te geven is de regering in Kigali ertoe overgegaan grote delen van de overgebleven bossen te kappen. Met name in het noordwestelijke grensgebied met Congo, van waaruit de Hutu-milities de laatste jaren nog regelmatig aanvallen uitvoerden, zijn de desastreuze gevolgen van deze politiek te zien. Eens beboste hellingen bieden nu een trieste aanblik van gevelde en onthoofde bomen. Daartussen, op de grond al de spoortjes en stroompjes van wegspoelende grond. ,,Ik begrijp de angst van de regering voor het extremisme wel", zegt een Westerse waarnemer, ,,maar deze maatregelen hebben op den duur een averechts effect. De economische en ecologische schade van de ontbossing zal onherroepelijk terugslaan op het land.''

,,Elke oorlog heeft zijn prijs'', zegt minister van Financiën Donald Kaberuka in het Franstalige blad Le Soft. ,,Als de situatie in het noordwesten was blijven voortbestaan, met alle verwoestingen door infiltranten van dien, was de apocalyps nabij geweest." Kaberuka, die een spilfunctie vervult in de Rwandese staatshuishouding, denkt dat de economie zich nu heeft gestabiliseerd en terug is op 90 procent van de capaciteit voor de `oorlog', zoals hier de periode tussen april en juli 1994 wordt genoemd. De minister rekent voor dat de economie groeit met 8 procent per jaar, maar daar staat tegenover dat ook de bevolking scherp toeneemt, met 3,6 procent jaarlijks. Het zal daarom nog tot 2010 duren, zo schat hij, voordat het inkomen per hoofd van de bevolking 300 dollar per jaar zal zijn (nu 190 dollar).

Stabiliteit in de gehele regio van de Grote Meren ziet Kaberuka als een essentiële voorwaarde voor economisch succes van zijn land. De drie landen die grenzen aan het idyllische Kivumeer – Rwanda, Burundi en Congo – richtten in 1976 de Economische Gemeenschap van de Landen aan de Grote Meren (CEPGL) op met als doel tot intensieve samenwerking te komen, maar dit kwam nooit goed van de grond. Voor Rwanda, afgesloten van zee, is regionale integratie van groot belang, maar op dat gebied zijn de vooruitzichten niet goed. De etnische tegenstellingen in het gebied en de oorlogshandelingen zijn nog lang niet voorbij.

Vorig jaar augustus begon een nieuwe oorlog in het buurland Congo, waarin Rwanda een actieve rol speelt. De door Rwanda gesteunde Congolese rebellen streven naar de omverwerping van het regime van president Kabila, ver weg in Kinshasa. Een broos vredesakkoord dat drie maanden geleden werd gesloten is vorige week uiteengevallen: de strijd is weer in volle gang. De militaire uitgaven van de Rwandezen zijn hierdoor enorm en tot overmaat van ramp eisen sommige donoren dat Kigali bezuinigt op het legerbudget, als voorwaarde voor handhaving van het bestaande hulpniveau. Kaberuka is hier inmiddels op ingegaan, in september bracht hij de defensiepost op zijn begroting terug van 30 miljard naar 29 miljard Rwandese franc (1 dollar is plusminus 350 franc).

Waarnemers in Kigali gaan ervan uit dat het om een symbolische vermindering gaat. Het militaire belang in het oosten van Congo is zo groot dat de Rwandese sterke man, vice-president Paul Kagame, die tevens minister van Defensie is, wel zijn methodes heeft om op andere wijze aan middelen voor het leger te komen. Bovendien weet Kagame zich in de rug gedekt door de Verenigde Staten, die in hem en de Tutsi-regering een van de weinige politiek-economische stabiele factoren zien. De oostelijke streek van Congo is intussen stevig onder Rwandese controle – `bezet' zeggen de Congolezen – en dat is nu eens geen economisch nadeel, want men plukt er nu de vruchten van de Congolese mijnindustrie.

Uiteindelijk, zo is het streven, zal Rwanda zichzelf moeten bedruipen, zonder hulp van buitenaf, zonder te profiteren van de Congolezen. Potentie heeft het kleine landje genoeg. Neem de methaangasbel onder het Kivu-meer, hoewel slechts in beperkte mate exploitabel, zou Rwanda toch zijn voordeel kunnen doen met de naar schatting 57 miljard kuub. Of met het landschappelijk schoon, de natuurparken, die een belangrijke toeristenindustrie zouden kunnen generen. Maar de vraag is of er mensen zullen zijn die de potentie in vrede naar boven kunnen halen. De vraag is of de ondernemersgeest die zich nu richt op het uitvechten van onderlinge tegenstellingen zich zal kunnen wijden aan de opbouw van een regionale economie.

    • Lolke van der Heide