Altijd tegenwind

Het kanaal speelde een grote rol in onze jeugd. In de zomer zwommen we vaak voor het huis van brugwachter Koelman. Mijn broer en ik waren bevriend met twee zoontjes Koelman, Joop en Stef. Soms mochten we de brug omhoog draaien en het bruggengeld innen. Dit gebeurde door middel van een klompje aan een hengeltje dat door het raam van het brugwachtershuisje werd gestoken.

Meestal passeerden er motorvrachtschepen maar een enkele keer kwam er nog eentje onder zeil voorbij. Deze hadden vaak midscheeps een motor aan dek met een schuine as met schroef langszij. Ook zag je schepen zonder zeil met zo'n motor, of ze hadden er een duwbootje achter, zo'n piepklein sleepbootje maar dan duwend, een stukje links of rechts van het roer. Ook Foeke Visser, die met zijn schip een eindje voorbij de brug lag en voornamelijk aardappelen voer, had zo'n duwbootje. Als hij ruzie had met zijn vrouw, wat nog al eens gebeurde, dreigde hij in het kanaal te springen. Zoals veel schippers in die tijd was hij de zwemkunst niet machtig.

Achter de schepen die voorbij voeren hing meestal ook een roeibootje. Vaak klommen we erin of lieten ons eraan hangend een eind meeslepen en kwamen met een tegenligger weer thuis.

Door sommige schippers, vooral Groningers hadden bij ons een slechte reputatie, werd je met een bootshaak weggejaagd.

Het mooiste was het bouwen van een vlot. Van afvalhout, touw en lege vaatjes werd een drijvende constructie gemaakt waarmee je in sommige gevallen de overkant van het kanaal haalde.

Ik zie nog hoe Gert, een oudere broer van Joop en Stef, op een door ons vervaardigd vlotje, op een zondagmiddag, rechtopstaand, in zijn zondagse pak en op zijn zondagse schoenen, peddelend met een eind hout het kanaal overstak, terwijl zijn moeder, Gezina, die wij vrouw Koelman noemden, aan de kant stond en zich in niet mis te verstane bewoordingen afvroeg hoe hij het in godsnaam in zijn bolle hoofd haalde om in zijn goeie goed.... en of hij wel wist wat die schoenen hadden gekost.... en dat het geld hun niet op de rug groeide....

Na de lagere school ging ik naar de HBS in Almelo, 15 kilometer heen en 15 kilometer terug. Langs hetzelfde kanaal.

We fietsten zuil bij zuil, geloof bij geloof, ongeloof bij ongeloof, in groepen, in lange slierten naar ons houten fietsenhok waar we de groene legerponcho's over de fiets te drogen hingen.

Soms had je geluk en kon je achter een passerende solex of een andere langzame brommer gaan hangen, maar meestal nam je om beurten de kop. Een enkele oudere leerling had al een echte bromfiets, een Tomos of een Puch. Werkende jongeren reden Kreidler of Zündapp. De scheiding der jeugdige geesten vertaalde zich destijds nadrukkelijk in de keuze van het rijwiel met hulpmotor, althans wat de jongens betreft. Meisjes die bromden reden Mobylette.

Voor zover ik mij kan herinneren hadden wij de hele middelbareschooltijd de wind tegen. Was de wind 's ochtends zuidwest, dan kon je er donder op zeggen dat hij 's middags naar het noordwesten was gedraaid. Ik kan me maar één uitzondering herinneren. Een warme zaterdag begin juni – we gingen op zaterdagmorgen nog naar school in die tijd - en ik fietste terug naar huis met Ria Hudepohl, een klasgenote uit het dorp. Ik zie de zuidenwind nog stoeien met haar wijde rok.

Maar dat was de enige keer. Verder was het altijd wind tegen, altijd tegenwind. Jaar in, jaar uit.

    • Gerrit Kolthof