Vermeulen bij Rozhdestvensky een verrukking

Het noodlot heeft de mens in een houdgreep, in wezen is hij tot niets in staat. Dat dacht Allan Gustav Pettersson (1911-1980), het weerbarstigste Zweedse talent waarmee Gennady Rozhdestvensky werd geconfronteerd als chef-dirigent van het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm. Pettersson componeerde zeventien overwegend eendelige symfonieën als vervolg op de late Mahler. Visionair en turbulent is de Tweede, terwijl de Zesde een coda heeft die driekwart van het stuk in beslag neemt! Nu wijdt Rohzdestvensky zich bij het Residentie Orkest aan de weerbarstigste Nederlandse componist, Matthijs Vermeulen (1888-1967), wiens zeven symfonieën in een cd-box verzameld het eeuwfeest van het orkest zullen opluisteren. Zaterdag, bij de viering van het 95-jarig bestaan, dirigeerde hij de nummers twee en zes.

Petterssons uitspraak `Ik ben geen componist, maar een stem die het uitschreeuwt' zou ook voor de niet minder ethisch bevlogen Vermeulen kunnen gelden. In de Tweede schreeuwt hij het uit in een vlechtwerk van vele stemmen, in de Zesde laat hij ze jubelen. Toch is er een groot verschil. Pettersson meende dat de mens de strijd om een menswaardig bestaan nooit kan winnen, Vermeulen was een onverbeterlijke optimist. De mens als marionet sprak hem niet aan. Een jubelend slot was voor Pettersson onmogelijk, voor Vermeulen noodzakelijk.

De uitvoering van Vermeulens Zesde symfonie was schier volmaakt. Zeldzaam kleurrijk, breed majestueus en toch strak, een effect waarvan de Sjostakovitsj-dirigent Rozhdestvensky als geen ander het geheim van kent, schitterend van opbouw, weids en precies, glashelder, met alle ruimte voor de belangrijke partijen van de houtblazers om zich in een prachtlievende klank te kunnen ontplooien, detaillistisch verfijnd, de pizzicati gedempt, nergens opruiend, laat staan agressief. En wát een immateriële strijkersklank, nú hoorde je pas hoe dat geschreven is met een zilveren pennetje - kortom: één doorlopende verrukking!

In de Tweede symfonie vond ik Rozhdestvensky's opvatting bijna te beheerst, ik miste het overweldigende Petterssonachtige karakter. De afweging van hoofd- en bijstemmen was weer voortreffelijk, de partituur bleek uit en te na geanalyseerd, alles was prachtig in balans, maar het wrong mij te weinig, het was mij te eenzijdig, elegisch gedacht. Het ruimtelijk perspectief was adembenemend, maar de wreed verpulverende massa te opgepoetst.

Dat heeft te maken met de tijdsgeest, die het brullende Sacre-beest liever kooit, wars is van vuile handen, fris gewassen kiest voor beheersing en schoonheid. Pettersson had gelijk. Uitvoerenden kunnen zich niet ontworstelen aan de houdgreep van de tijdgeest, ook Rozhdestvensky niet. De jaren '20, waarvan de Tweede Symfonie zowel voorbode als ultieme vertegenwoordiger is, zijn voorbij.

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Gennady Rozhdestvensky. Werken van Vermeulen en Strauss. Gehoord: 20/11 Anton Philipszaal Den Haag

    • Ernst Vermeulen